|
|
Koester geen gedachten, hoger dan
u voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het geloof,
dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld.
Romeinen 12,3
Bedachtzaamheid is een mooie eigenschap. Menigeen
heeft spijt gekregen van een spontane e-mail, een verkeerde uitspraak,
een ondoordachte aankoop. Daar had je beter maar eens over kunnen nadenken,
maar nu zit je met de gevolgen. Dat geldt van onbelangrijke zaken, maar
des te meer van serieuze, zoals van het geloofsleven. In onze kring wordt
dat vaak getypeerd als ‘denkend geloven’. Met de wat bizarre connotatie,
dat gelovigen uit andere kerken dat niet zouden doen. Maar goed: een remonstrant
die opstaat in een dienst en ‘Halleluja’ roept of ‘Amen’ anders dan wanneer
de ‘orde’ van dienst dat voorschrijft, is slecht denkbaar. Of bedachtzaamheid
altijd ‘verstandig’ - zoals de Nieuwe Bijbelvertaling het Griekse woord
vertaalt - is, of een rationeel proces is, is de vraag. Je weegt verschillende
aspecten van iets af, maar waarom het resultaat van die afweging uitvalt,
zoals hij uitvalt, is niet goed na te gaan. Wat wel zeker is, is dat bedachtzaamheid
tijd kost, het be-oogde uitstelt, het a.h.w. in regie neemt. Dat kan heel
nuttig en noodzakelijk zijn. Het kan ook zo secuur gebeuren, omdat telkens
nieuwe aspecten om overweging zich aandienen, dat, waar het om ging, uit
het zicht verdwijnt. Via twijfel en onzekerheid van uitstel naar afstel.
‘Ik ben nog niet zover’, zeggen we dan.
In het Nieuwe Testament heeft bedachtzaamheid
een andere kleur. Daar laat het be-oogde zich niet onder druk zetten door
de afweging, maar wordt die juist onder tijdsdruk gesteld. Daar is de vraag:
komt er nog wat van? Of ben je bezig uitvluchten te verzinnen? Het is nu
je kans! Het is het soort bedachtzaamheid, dat de reiziger kent, die, wanneer
hij Schiphol nadert, gewaarschuwd wordt voor zakkenrollers. Natuurlijk,
daar houdt hij dan rekening mee, maar hij stelt zijn reis toch niet uit!
Hoe je het keert of wendt, het geloofsleven -
naar zijn overtuigingskant en naar zijn handelingskant - blijft een waagstuk.
Het be-oogde wordt nagestreefd ‘op goed geluk’ of - minder geseculariseerd
gezegd - je rekent op genade. Je houdt rekening met iets, wat nu eenmaal
ons bedenken te boven gaat, maar dat wel degelijk zijn rol mag en moet
spelen. En vertrouwen (en zelfs wat zelfvertrouwen!) geeft en hoop. Er
zijn ook andere aspecten, die om aandacht vragen. Deze bedachtzaamheid
is immers niet zozeer gericht op de betekenis van het resultaat van de
afweging voor jezelf als wel voor een ander, die op zijn wijze met zingeving
of geloof bezig is. Brengen mijn inzichten hem in verlegenheid? Of heeft
hij er wat aan? Kan hij er wat mee?
Al remt deze bedachtzaamheid de spontaniteit,
hij kent een verborgen doelgerichte emotionaliteit, gewekt door het geloof,
ons toebedeeld. We zouden er dankbaar voor moeten zijn. |
|
|
|
|
|
|
|