|
|
Recensie
In adRem
van juni 2006 stond over dit boek de volgende recensie van de hand van
Jaap R. Bruijn.
De Remonstrantse Broederschap in jaren
van grote veranderingen (1850-1940). Tjaard Barnard schreef hierover een
informatief proefschrift, dat ook voor niet theologen zeer leesbaar is.
Van ‘verstoten kind’ tot belijdende
kerk
Wat een interessant en kloek boek heeft de Rotterdamse
remonstrantse predikant, Tjaard Barnard, geschreven. Het is zijn proefschrift,
dat hij op 24 mei 2006 aan de Leidse universiteit heeft verdedigd. Zijn
promotores waren de hoogleraren Th.M. van Leeuwen en E.H. Cossee.
Achter de titel Van ‘verstoten kind’ tot belijdende
kerk. De Remonstrantse Broederschap tussen 1850 en 1940 gaat het verhaal
schuil over de ontwikkelingsgang van de Remonstrantse Broederschap (RB)
in de aangegeven periode. Voelde de RB zich omstreeks 1850 nog een verstoten
kind dat verwachtte na herstel van de oude grieven van 1619 weldra in de
moederkerk terug te keren, nog geen halve eeuw later was zij van 2650 naar
12.000 leden gegroeid en was van terugkeer absoluut geen sprake meer. Zij
straalde als een geheel vernieuwde broederschap kracht en zelfvertrouwen
uit. Vier decennia later was dat met een ledental van bijna 20.000 nog
sterker het geval.
Vrijzinnige
vereniging
Wat was gebeurd? Anno 1850 week de geloofsleer
niet veel af van de middenorthodoxie in de Hervormde Kerk (HK). Spoedig
daarna schoof die leer onder invloed van het Modernisme naar vrijzinnigheid
op. De RB bracht haar beginsel van vrijheid en verdraagzaamheid duidelijker
naar buiten en ging opvang bieden aan hen die door hun niet dogmatische
opvattingen en hun loslaten van de binding aan belijdenis en schriftgezag
in de HK geen plaats meer vonden, omdat deze voor de orthodoxie had gekozen.
Met groepen van honderden tegelijk stapten zij met hun predikant naar de
RB over en vormden nieuwe gemeenten. Omstreeks 1880 gebeurde dit bijvoorbeeld
in Arnhem, Groningen en Lochem. De stap naar vrijzinnigheid had de RB zelf
reeds in 1872 gezet, toen het Seminarium, de opleidingsplaats voor predikanten,
van Amsterdam naar de ‘moderne’ Leidse theologische faculteit was verplaatst.
De mens kwam meer centraal te staan dan de bijbel; doop en avondmaal werden
niet meer nodig geacht. Het was in Nederland het tijdvak waarin ook de
zogenoemde vrije gemeenten en de NPB ontstonden. De RB werd nu een vereniging,
geen kerk; het woord kerkenraad werd vervangen door bestuur. Verschillende
nieuwe kerken werden gebouwd, die vooral dienden voor bijeenkomsten, veel
minder voor wijding. Deze kerken waren hard nodig. De bestaande Haagse
kerk kon de stroom van kerkgangers omstreeks 1890 niet aan. Geregeld moesten
mensen naar huis gestuurd worden, omdat de kerk vol was.
Kerkgenootschap
Spoedig na de eeuwwisseling komt een proces op
gang waarin de RB zich van een ‘moderne’ tot een belijdende kerk ontwikkelt,
een proces dat in 1940 voltooid is. Instroom van vrijzinnigen vanuit de
HK was tot stilstand gekomen, nadat zij zich binnen hun eigen kerk in 1913
hadden georganiseerd in de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden. De grote
mannen in de RB zijn in deze periode vooral G.J. Heering en L.J. van Holk.
Eerstgenoemde drukte als Seminariumhoogleraar (een fraai verhaal gaat aan
zijn benoeming vooraf) van 1917 af zijn ‘rechtsmoderne’ stempel op het
geloofsleven in de RB. Voor hem is de kerk de plaats waar het geloof vorm
krijgt. Via het door hem ingestelde Convent vinden zijn gedachten ingang
onder de predikanten. Van Holk haalt de gemeenschapszin boven het individualisme
naar voren. De aandacht voor de liturgie keert terug en deze krijgt de
later zo vertrouwd geworden vorm. Heering vindt dat een preek ongeveer
30-45 minuten mag duren! Een nieuwe beginselverklaring in 1928 en een belijdenis
in 1940 bekronen deze periode. Doop en avondmaal, het woord kerkenraad,
zij komen alle terug. Zelfbewust biedt de RB zich als vrijzinnig ‘kerk’genootschap
aan. In brochures wordt aan dit zelfvertrouwen uiting en uitleg gegeven.
Sociale vraagstukken komen nu ook aan bod. Heerings toespraak in 1921 over
De
kerk als maatschappelijk geweten had hiertoe de stoot gegeven. Van
1915 af wordt de vrouw tot de studie aan het Seminarium toegelaten, maar
haar volwaardige aanvaarding in het ambt duurt nog vrij lang.
Zelfbeeld als rode draad
Deze en andere aspecten van de RB (de VPRO, VCSB,
het ontstaan van de gemeente Naarden/Bussum, diverse theologische discussies
bijvoorbeeld) komen uitgebreid aan de orde in dit lezenswaardige boek.
Het heeft het zelfbeeld van de RB als rode draad. Genoemd wordt dat W.R.M.
Noordhoff in 1934 de samenstelling van de RB heeft geanalyseerd. Hij noemt
de leeftijdsopbouw niet meer optimaal; de remonstranten zijn gemiddeld
ouder dan een doorsnee uit de samenleving. Zij wonen veelal in stedelijke
gebieden en dan meestal in de ‘betere’ wijken. Zij werken meer dan gemiddeld
in leidinggevende beroepen. In vergelijking met andere kerken is het vrouwelijk
aandeel groot.
Het boek doet dus actueel aan, zeker ook als
er sprake is van het voortbestaan van (te) kleine gemeenten, te kleine
of te laag betaalde aanstellingen van predikanten, de hoogte van het quotum
of de hulp van grotere/ rijkere gemeenten aan kleine, minder bedeelde gemeenten.
Een register van persoonsnamen en een uitvoerige inhoudsopgave maken het
boek heel toegankelijk.
Jaap R. Bruijn,
emeritus hoogleraar en lid van het landelijk
bestuur van de Remonstrantse Broederschap
|
|
|
|
|
|
|
|