| Beginpagina | Activiteiten | Agenda | Belijdenis |
| Gemeentegeluiden | Contact en route | Preken | Verhuur kerk |
 

Preken

Preek van mevrouw drs Roos Ritmeester d.d. 12 nov. 2006 (bij 2 Johannes 1-6 en Marcus 12:28-34)

Gemeente,

In Israël zijn, aan het begin van onze jaartelling, twee rabbijnen: Sjammai en Hillel. Zij leiden beide een school. In meer dan één opzicht zijn zij tegenpolen: de soepele Hillel staat in de vele discussies tegenover de strakker redenerende Sjammai; Hillel is geduldig, Sjammai ongeduldig en kritisch. Het gaat in de verschillen tussen deze twee om een verschil in levenshouding: als iemand zich tot het geloof wil bekeren, maar al bij voorbaat een belangrijk deel van de leer afwijst, aanvaardt Sjammai hem niet als leerling en Hillel wel. Dat komt niet omdat Hillel het makkelijker neemt met de leer en met de eis, dat een bekeerling de gehele leer moet aanvaarden, maar dat hij gewoon het vertrouwen heeft zijn leerling te gelegene tijd van de waarheid te overtuigen. Hillel gunt in letterlijke zin de eigenwijze leerling het voordeel van de twijfel; zijn eigen wapen is het vertrouwen. Een rekkelijke en een precieze zou je kunnen zeggen.
Karakteristiek voor het verschil in benadering tussen Hillel en Sjammai is het volgende korte verhaal.
Op een keer kwam een niet-jood  bij Sjammai en vroeg hem: ‘Ik wil mij bekeren, maar onder voorwaarde dat u mij de hele Torah leert terwijl ik op één been sta!’  Sjammai werd kwaad en gaf de man een klap met de meetlat die hij toevallig in de hand had.
Daarop ging de niet-jood naar Hillel en vroeg hem: ‘Kunt u mij de gehele Torah leren, terwijl ik op één been sta?’ ‘O ja’, zei Hillel, ‘dat is heel eenvoudig: wat je niet wilt dat jezelf overkomt, doe dat ook een ander niet aan! Dat is de hele Torah. En de rest is commentaar.’
En hij voegde daar aan toe: ‘Ga heen en leer!’
Ongeveer in dezelfde tijd, dat dit voorval speelt, schrijft Marcus zijn evangelie. Vanmorgen horen we hoe hij Jezus ook zo’n kernachtige uitspraak laat doen.
Op de vraag ‘Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod? antwoordt Jezus:  ‘Het voornaamste is: “Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer. Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.”  Het op een na belangrijkste is dit: “Heb uw naaste lief als uzelf.” Er zijn geen geboden belangrijker dan deze.’ 
Het klinkt zo heel eenvoudig: de hele bijbel samengebald in een paar zinnen. Heb God met heel je wezen lief en je naaste als jezelf.
 Het klinkt zo simpel, maar als we hier even over nadenken dan kan de conclusie alleen maar zijn: dit is voor de gewone mens een godsonmogelijke opgave! Een voor mensen volstrekt onhaalbare zaak. Iets van God, niet van de mens. De oproep de naaste (iedere naaste) lief te hebben, roept  zelfs weerstand op. Het kan de associatie oproepen, dat we de ander de andere wang altijd toe moeten keren. Het kan een sfeer van zoetige braafheid oproepen, waarin de naar heiligheid strevende gelovige zich als een lam naar de slachtbank laat leiden. In gesprekken met niet-gelovigen valt het me op, dat mensen vaak over dit soort zaken beginnen. Het is schijnheilig om te denken dat je iedere naaste lief kunt hebben, zeggen ze dan. En daarin hebben ze natuurlijk gewoon een punt.
Niet dat wij mensen niet in staat zouden zijn tot liefhebben. Natuurlijk, wij houden van onze kinderen, onze familie en vrienden, de mensen met wie wij in de gemeente samen zijn. Maar wij hebben heel veel mensen ook níét lief en daar hebben we alle reden toe!.
In de tijd van Jezus was dat beslist niet anders dan nu. Toch spreekt hij over het dubbelgebod van de liefde als het enige dat er toe doet.
Hoe zit dat dan? Het eerste wat wij helder moeten zien te krijgen is wat er met liefde bedoeld wordt hier.
In de bijbel is er sprake van drie vormen van liefde. De eerste soort liefde, die vaak genoemd wordt, is de eros, de erotische liefde, de liefde als aantrekkingskracht. De liefde van liefde op het eerste gezicht. Dat is mooi en het is heerlijk dat het er is, maar die liefde is het niet, die hier bedoeld wordt. ‘Heb God lief, heb je naaste lief’ is geen oproep tot verliefdheid op God of de naaste.
 Daarnaast is er nog een andere liefde in de bijbel. Die wordt aangeduid met het woord philia: de vriendschap. Bij vriendschap gaat het om gevoelens van sympathie, van vertrouwen en verbondenheid. 
Dat is eveneens een mooie uitdrukking van liefde, maar ook hier gaat het niet om in dat dubbelgebod van de liefde.
 Als de bijbel het in de lezingen van vanmorgen over liefde heeft, dan gaat het over nog een andere vorm van liefde: de agapè. En die agape is geen romantische liefde, geen gevoel van liefde en vriendschap, nee, bij agapè gaat het om een levenshouding en om daden.
De lezing uit de tweede brief van Johannes maakt dat duidelijk. Johannes vertelt dat hij verheugd is, dat de mensen tot wie hij zich richt de weg van de waarheid volgen. Dat is in overeenstemming met het gebod van God.
En dan houdt Johannes de gemeente een nieuw gebod, of eigenlijk geen nieuw gebod maar een oud en bekend gebod voor: laten we elkaar liefhebben. Dat is: leven volgens Gods geboden. En ook hij gebruikt hier het woord agape.
Een cirkelbeweging is het: van waarheid naar liefde naar gebod weer naar waarheid.
Wat bedoelt Johannes hiermee? En wat kunnen wij hiermee ? Wat is de relatie tussen liefde, waarheid en gebod.? Aantrekkingskracht eros en sympathie philia laten  zich niet gebieden, maar agapè, hoe staat het daarmee? Laat die liefde zich gebieden?  Ik denk het wel.
De tekst ‘heb je naaste lief als jezelf’ kan ook vertaald worden met’Heb je naaste lief, die is zoals jij.’ Als je daar bij stilstaat, dan gaat er een wereld open. De ander die is zoals jij. 
De vredesweek had dit jaar als thema: ‘de ander, dat ben jij’. 
Kunnen we dat zo ervaren?
Met die lastige buurman willen we dat misschien nog proberen. Maar hoe doe je ’t, als die zogenaamde naaste jou naar het leven staat, je raakt in het liefste en belangrijkste dat je hebt . Hoe is het, als die naaste je kind doodschiet, omdat hij voor zijn zaak vecht? Is het nog mogelijk om een mens, die dat doet, nog liefdevol als je naaste te zien? 
De situatie in Israël schiet mij dan te binnen. Hoe moeten de joden en Palestijnen het op dit moment voor elkaar krijgen elkaar als naasten lief te hebben? Daar lijkt het fanatisme, de vervreemding alleen maar te groeien. Het diepgewortelde wederzijdse wantrouwen, de pijn aan weerskanten los je toch niet op met zo’n positieve oproep om elkaar te herkennen als de ander, zoals het thema van de vredesweek dat aanreikt. 
Afgelopen zondag heeft de Israëlische schrijver David Grossmann een redevoering gehouden tijdens de jaarlijkse herdenking van de moord op Jitschak Rabin. De verkorte tekst van deze redevoering stond maandag in Trouw. Het is een bijna profetisch aandoend verhaal van een man die zelf zwaar getroffen is, - zijn zoon is deze zomer gesneuveld in Libanon -, maar die volgens mij begrepen heeft waar dat dubbelgebod over gaat. Niet over romantische ontmoetingen met het andere kamp, niet over sympathie, maar over daden van gerechtigheid en waarheid.                    Hij zegt : ‘Ons aller toekomst hangt af van ons vermogen om een daad te stellen. J. Rabin koos voor de weg tot vrede met de Palestijnen, niet uit grote liefde voor hen of voor hun leider. Hij besloot een daad te stellen, omdat hij in zijn wijsheid inzag, dat de Israëlische maatschappij op de lange duur niet in een situatie van onopgelost conflict kan voortbestaan. Hij begreep, lang voor vele anderen, dat het leven in een klimaat van geweld, bezetting, terreur en uitzichtloosheid een prijs vergt die Israel niet kan betalen.’ Dat zei Grossman afgelopen zondag en hij zei nog veel meer, waar heel Israël nu over praat.
 Rabin begreep dat je naaste liefhebben inhoudt, dat je inziet dat die ander precies evenveel verlangen naar en evenveel recht heeft op een menswaardig leven als jij, ook al vind je hem of haar verre van sympathiek. We zouden misschien eerst moeten beginnen om die ander een menswaardig leven te gunnen, om die ander een waardig maatschappelijk bestaan te gunnen.
Dan hebben we het niet alleen over Palestijnen en Joden, of over allochtonen en autochtonen in Nederland, maar ook over alle tegenstellingen, die er heel dichtbij zijn in onze familie en vriendenkring. Werkelijk liefhebben is niet jezelf wegcijferen, de ander liefhebben ten koste van jezelf. Je naaste liefhebben begint met jezelf liefhebben. Wij zijn beeld van God. En in die zin zijn wij de ander! Wij allemaal zijn bedoeld als beeld van God. Dat is een feit én een opdracht. Door dat te zien en elkaar zó elkaar lief te hebben,nodigen we elkaar uit om dat beeld van God steeds meer te realiseren.
Het is niet eenvoudig om alles en iedereen maar met die liefde te blijven bezien. Zeker geldt dat voor mensen die een grote afweer hebben. Iedereen heeft wel stukjes in zich,  die kwetsbaar zijn en die je wilt beschermen, desnoods met geweld, en dan wint de verdediging het al gauw van de liefde. Maar toch blijft het een uitdaging om de liefde, de agapè  de voorrang te geven, met respect voor jezelf en je eigen grenzen. Om zo vol vertrouwen te zijn in de God die ons draagt en met ons meegaat, dat we ons realiseren, dat we uiteindelijk weinig te verliezen hebben. Dat we naar elkaar kunnen kijken als kwetsbare, kostbare mensen. Mensen die een ander niet aan willen doen, wat ze niet willen, dat henzelf overkomt. Mensen, die waardig leven willen en hun naam in vrede willen dragen.
Amen.


Preek van mevrouw Drs  R. Ritmeester d.d. 15 oktober 2006, onder de titel: 

Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van de naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan. (Marcus 10: 25)

Gemeente, 

Dit verhaal uit het Marcus evangelie past in een rij van uitspraken van Jezus over het Koninkrijk van God.
In de verzen voorafgaand aan onze tekst van vanmorgen wordt verteld, hoe Jezus de kinderen zegent. Hij zegt daarbij: Laat de kinderen tot mij komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God is voor wie is zoals zij.
In de Bijbeltekst, die wij vanmorgen gehoord hebben, gaat het opnieuw over het Koninkrijk der hemelen of zoals die man die naar Jezus toekomt het noemt: het eeuwige leven.
Het is een confronterend, ja, we mogen wel zeggen, verontrustend verhaal, dit verhaal van de zgn rijke jongeling. Dat hij jong was, weten we overigens alleen vanuit het evangelie van Matteüs, Lucas heeft het over een aanzienlijk man en Marcus, altijd de soberste van de evangelisten spreekt over: iemand. Maar uit het hele verhaal blijkt wel dat het hier gaat om een eager young man, iemand, die alles uit het leven wil halen wat er uit te halen valt. Iemand die voor de dingen gáát. Op de goeie manier: hij heeft zich van jongs af aan gehouden aan de wet, aan de Thora. Daarbij heeft hij alles bereikt, wat een mens bereiken kan aan welstand en aanzien. Het leven van alledag heeft hij volledig in de hand. Nu nog de laatste zekerheid zien te bereiken: het eeuwige leven. Dat is toch een prachtig doel. Voor iemand van goede wil, met zijn inzet, moet ook dat toch te bereiken zijn?! En hij weet bij wie hij het antwoord zoeken moet. Hij erkent Jezus als een meester, een goede meester.
Jezus geeft hem op zijn vraag, hoe hij dat eeuwig leven beërven moet, aanvankelijk een antwoord, waar hij niet veel aan heeft. Het is een opsomming van de geboden van de tweede stenen tafel: gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen valse getuigenis geven, eer uw vader en uw moeder. En hij voegt daar nog aan toe: gij zult niemand bedriegen. Dat is nogal wat! Maar de jongeman heeft meteen zijn antwoord klaar: “aan al die voorschriften heb ik me van jongs af aan gehouden”. Hij was dus - dat mogen we toch wel concluderen - gewoon een goed mens.  Wat wil hij dan nog meer? Waar is hij naar op zoek? Wil hij zich verzekeren van een plaats in de hemel? Is hij op zoek naar een spirituele ervaring? Als ultiem ‘hebbeding’? Zoiets van, als je alle materiële zaken al hebt, dan moet je ook de immateriële zaken zien te krijgen? 
Hij lijkt een mens van deze tijd op zoek naar zin. Zoals de Beatles die hun heil zochten bij de Maharishi in India of Madonna die het zoekt in de Kabbalah. En al die mensen vandaag de dag, die hopen  de zin van het leven te ontdekken in een workshop spiritualiteit. Of het nu de spiritualiteit van de Indianen is of  van de Maori’s of de Katharen. En in feite stellen al die mensen dezelfde vraag, de vraag, die wij hier vanmorgen, denk ik, ook stellen: “Wat moet ík doen? Wat moet ik doen met mijn geloof in deze wereld? Wat moet ik doen met wat ik heb, met wie ik ben in deze wereld?
De jonge man uit dit verhaal is al een heel eind gekomen, hij heeft het al voor elkaar gekregen te leven volgens de geboden, hij doet de dingen goed. Maar hij voelt dat er voor hem meer is. En Jezus ziet dat. Als Jezus hem aankijkt en het leven van die jongen doorziet, krijgt hij hem lief. Ziet hij de mogelijkheden in hem? Ziet Jezus in hem een oprechte zoeker, een mens die écht verder wil, die tot alles bereid is? Blijkbaar vindt Jezus het van belang om dat naar boven te halen: “Wil je écht verder?”  Hij daagt de jonge man uit om alles te verkopen en weg te geven en om hem, Jezus, dan te volgen. 
Dat gaat nog wel even verder dan de voorschriften uit Deuteronomium 15, die we vanmorgen gehoord hebben. Daarin worden regels gegeven voor het wonen in het beloofde land. Dat zijn op zichzelf al heel radicale regels: dat ieder zevende jaar alle schulden moeten worden kwijtgescholden en dat er wordt gevraagd heel ruim te geven aan wie gebrek lijdt. Maar Jezus gaat nu nóg een stap verder: verkoop alles, maak je los van al je bezittingen en volg mij.
Waarom wordt er van dit goede mens, deze al zo zorgvuldig levende mens zó verschrikkelijk veel geëist? En waar zijn wij, hier in Nederland, in dit verhaal? Het zijn confronterende en verontrustende woorden van Jezus, want je hoeft de televisie maar aan te zetten en alle armoede en ellende van de wereld komt over je heen. En je beseft dat wij hier in Nederland, heel erg rijk zijn. Dat geldt zelfs voor onze armen in relatie tot de mensen in de Derde Wereld. Wordt er dan van ons verwacht, dat wij als kloosterlingen gaan leven, praktisch bezitloos? Zou deze Bijbeltekst ons allemaal daartoe oproepen? Dat is toch in deze tijd praktisch onmogelijk? Wat dat betreft is die vergelijking van een kameel, die niet door het oog van de naald kan gaan, wel heel treffend. Dat kán namelijk gewoon niet!!
Maar zo onmogelijk is dat toch niet. Jezus gebruikt dit voorbeeld niet om aan te geven, dat het totaal onmogelijk is, dat iemand die rijk is het eeuwig leven beërft. Het gaat in dit voorbeeld naar alle waarschijnlijkheid niet om een naald, waarmee je een knoop aanzet. In Jeruzalem was er in die tijd een lage poort in een nauwe straat die : ‘Het Oog Van De Naald’ werd genoemd. Een bepakte en bezakte kameel stak aan weerskanten zover uit dat hij onmogelijk door die nauwe poort kon. Je moest de kameel dus eerst afladen, wilde hij er doorheen  kunnen. 
Het was dus niet onmogelijk, dat die kameel door de poort ging, maar je moest er wel iets voor dóén. Dat is een beeld, waar wij iets mee kunnen. Het gaat dus blijkbaar om ballast waarvan je je moet ontdoen om door de poort te kunnen, die toegang tot het koninkrijk van God, het eeuwig leven geeft.
Dit verhaal gaat over het je ontdoen van ballast. Of misschien beter gezegd: over vasthouden en loslaten. Nog iets preciezer: over de bereidheid om los te laten.
In dit verhaal gaat het niet over een moreel oordeel over rijkdom. Rijkdom en het rijk van God kunnen samen gaan. Jezus was geen asceet, die in een kameelharen mantel rondtrok. Bij Lucas lezen we dat de vrouwen, die Jezus volgden, hem uit eigen middelen bijstonden. Judas Iscariot is degene, die de kas bijhoudt, een kas waar genoeg inzat om ook de armen te bedelen. Dat wordt verteld bij het laatste avondmaal.
De leerlingen bleven werken, ze behielden hun boten en hun visnetten. Zo zou ‘alles verlaten om Jezus te volgen’  kunnen betekenen: alles van vróéger verlaten, de oude manier van denken verlaten, om nu in de eerste plaats te kiezen voor Jezus en zijn levenshouding.
En dit houdt in een andere, nieuwe levenshouding tegenover geld en bezit. Een houding van vrijheid. Dan kun je geld hebben, maar het geld heeft jou niet. 
Dan zijn we vrij voor God en voor onze medemens. Dan laten we de angstige zorg om ons bezit los, omdat we weten dat er méér is dan we met geld kunnen kopen.
Dan beseffen we, dat het een schijnzekerheid is, die wij menen te kunnen verwerven met geld.
De rijke jongeling begrijpt dit niet, of - hoop ik - nóg niet. Hij is tenslotte jong.
Eigenlijk was hij op zoek naar nog meer zekerheid en dáár zit ‘m de crux. De rijke jongeling had al zijn vertrouwen in zijn bezit, maar vooral in zichzelf gesteld. Wat moet ík doen om het eeuwige leven te beërven. Ik, die al die andere dingen ook zo goed voor elkaar heb gekregen. Ik, die met mijn geld zoveel goed doe.
En als antwoord krijgt hij dan: je moet niet meer doén. Je moet láten. Lóslaten.
Je zekerheden, je levenshouding, waarmee je het tot nu toe zo goed hebt gedaan. Voor joú is het nu de tijd om dat alles los te laten.
Door alle kaarten te zetten op zijn bezit en op zichzelf handelt de rijke jongeling in strijd met het gebod van de eerste stenen tafel. “Ik ben de Eeuwige uw God, u zult geen andere God voor mijn aangezicht hebben”. Dus geen god van geld en geen god van ego.
Niet het bezit op zichzelf, maar alles wat de rijke jongeling, met al zijn goede bedoelingen, hieraan ontleende, maakte dat hij niet vrij was. 
Bij rijkdom en zich rijk voelen hoort een levenshouding. De levenshouding van : ik rooi het wel alleen. Jezus roept de jonge man op die houding los te laten. Als Jezus zegt: “Eén is de goede”, dan bedoelt hij dat wij mensen niet zelf het eeuwige leven kunnen verwerven. Maar dat te aanvaarden is voor ons, rijke jongelingen hier bijeen, moeilijk te aanvaarden. Het vraagt overgave, het opgeven van onze wil om het leven te dwingen. En het vraagt om het vertrouwen als een kind. Er wordt ons niet gevraagd al ons bezit op te geven, maar wel wordt van ons gevraagd de bereidheid om onze ballast af te laden. Voor de één is dat geld en bezit. Voor de ander een andere last, die hem van vrijheid afhoudt. Ieder mens kijke in zijn eigen hart.
Als we ons dan met Gods hulp ontdoen van onze last, dan is het onmogelijke mogelijk: dan gaan we door het oog van de naald.
Amen.
 

 
Voor het laatst bijgewerkt: 18/02/2007 
naar boven