|
Preek zondag 17 februari 2008
Preek Het oog is in de eerste plaats ons belangrijkste zintuig om
de wereld om ons heen te observeren. In de symboliek wordt het
oog in verband gebracht met licht en geestelijk schouwvermogen.
De serafijn uit Poesjkins gedicht raakt vandaag de ogen van
de ik-figuur aan: Wat zijn zienersogen? Wat zien zienersogen? Zij zien helder.
Zij zien heel duidelijk het verschil tussen werkelijkheid en
illusie. Het verschil tussen de illusie van het hebben en de
realiteit van het zijn. Zienersogen zijn waarzeggers. Ze
vertellen van een waarheid waar je snel overheen kijkt.
Zienersogen kijken naar binnen. Zien een glimp van stralend
licht, van laaiend vuur en vermoeden een weg daar naar toe. De weg naar het licht is geen comfortabele snelweg met
duidelijke richtingaanwijzers. Aan een Tomtom heb je niets. De
weg is, in de oude verhalen, een ongebaand pad door de woestijn,
de wildernis, door wouden, door het water, over bergen. De weg
voert je bij de vleespotten vandaan. Je wordt uitgeleid uit de
geborgenheid van je huis. Je wordt verdreven uit de
paradijselijke tuin. Weggevoerd uit de veilige gevangenschap. Je
moet op weg omdat je vastgelopen bent. Omdat de drang naar
vrijheid niet meer te bedwingen is. Je gaat op weg omdat je niet
dood wilt zijn, maar wilt leven. Je neemt aarzelend de onbekende
afslag. De weg blijkt al gaande niet de kortste verbinding te
zijn tussen hoe het was en hoe het kan zijn. De tocht is
moeilijk, beginnend bij het moment dat je alles achter je laat,
eindigend in een nieuwe, hoopvolle toekomst. Hoe ziet die tocht
eruit? Daarover lezen we in oude verhalen. Vandaag lezen we
bijvoorbeeld twee verhalen over een bergtocht. Je kunt de
verhalen lezen als alpinistische avonturen, maar dan lees je met
kijkersogen. Met je zienersogen lees je over de innerlijke weg
die voert naar het laaiend vuur. Dat laaiend vuur dat in ieder
van ons brandt, maar waar we zo weinig bij stilstaan, of van
merken. De tocht begint met een stem, een oproep, een woord, een hand
die wenkt: kom, ga mee. Die stem verneem je omdat je leven een
wending heeft genomen die je niet verwachtte. Het woord valt je
nu opeens op omdat je voor een beslissende keuze staat. Je ziet
die wenkende hand nu pas omdat je je door het leven sleept en
geen zin meer ziet in wat je doet. Je volgt de stem, die innerlijke drang, van uit een verlangen
naar een andere invulling van je bestaan, vanuit een verlangen
naar vervulling. Aanvankelijk ga je met anderen, zoals Mozes met
Jozua en de oudsten, zoals Jezus met zijn drie leerlingen. Zoals
wij als geloofsgemeenschap met elkaar op weg gaan. Maar vanaf
een bepaald moment moet je alleen verder. Je geliefden, je
dierbaren, je vrienden, zij blijven achter. Zij kunnen jouw
tocht niet meemaken. “Wie zijn lot gekozen heeft, de tocht
begonnen is naar zijn eigen bodem (is er een bodem?) nog midden
onder u staat hij al buiten het leven. ... Zelf zal hij u zien
steeds verder weg, de lokroep van uw stemmen horen steeds
zwakker.” zo beschrijft Dag Hammarskjöld deze ervaring. De weg,
als je al van een weg kunt spreken, voert verder omhoog. Dan
omhult een wolk de helling in haar nevel. Het wordt donker. De
lichten van de zintuigen en van het verstand zijn hier gedoofd.
Het lijkt wel of God, naar wie jouw verlangen uitgaat, steeds
verder uit het zicht verdwijnt. Je kunt steeds minder met de
beelden van God. Je hebt steeds minder houvast aan het geloof.
Er komt een moment dat je heel zeker dat God niet bestaat. De
donkere nacht van het geloof. Als een blinde tast je rond. Je
kunt de tocht afbreken en teruggaan. Je kunt ook ter plekke je
tent opslaan en je in bitterheid beklagen dat God je in de steek
heeft gelaten. Maar je kunt ook verder, zoals Mozes, die de wolk
binnenging en verder de berg opklom. Veertig dagen en nachten
bleef hij op de berg. Hij volgde zijn verlangen. In de stilte en
eenzaamheid kon hij de neiging weerstaan de innerlijke leegte op
te vullen. In die leegte kon hij Gods verborgen omgang vinden.
In de donkere nacht werkt de trekkracht van de liefde. Hier
opent zich, in het verborgene, een bron. “Ik ken de bron, haar
wellen en haar stromen, al is het nacht,” dicht Johannes van het
Kruis. Mozes klimt naar de top, naar het laaiende vuur. Daar blijft
hij 40 dagen en nachten, de tijd die nodig is voor zijn
transformatie, zijn innerlijke overgave aan het heilige. Gehuld
in het duister van de wolk wordt hij vervuld met het verterende
vuur, met de glorie van de Eeuwige. Jezus van Nazareth heeft
zijn leerlingen willen laten zien dat het gaan van de innerlijke
weg niet alleen is weggelegd voor de grote spirituele figuren
uit de godsdienstgeschiedenis. Mozes en Elia waren natuurlijke
uitzonderlijke types, maar wat zij meemaakten op hun weg niet.
Ook wij kunnen in navolging van Jezus deze weg gaan. Durven wij
het aan om ons te laten meenemen op die bergtocht? Om in onszelf
de lichtende gestalte te aanschouwen? Om een innerlijke stem te
horen die zegt: Jij bent de dochter, de zoon. In jou heb ik
welbehagen. Luister naar je innerlijke stem? Het verlangen is
er, maar die top, in donker gehuld en tegelijk oogverblindend
stralend, lijkt zo onbereikbaar. Maar je zienersogen hebben al
gezien dat die top zo nabij is als je eigen adem. Het is
aanlokkelijk en huiveringwekkend tegelijkertijd. De weg gaat door de wolk, door het duister. Dit is niet
alleen het duister van de zintuigen en het verstand. Het is ook
het duister dat je aantreft in je zelf. Je komt onderweg
onontkoombaar voor de vraag te staan: wie ben ik eigenlijk? Deze
ervaring is op een aangrijpende manier door Dietrich Bonhoeffer
onder woorden gebracht. In zijn gedicht Wie ben ik, geschreven
in de gevangenis, vraagt hij zich af of hij de stoere,
zelfbewuste man is zoals de mensen hem zien, of de bange,
onrustige mens, zoals hij zichzelf ziet. Aan het einde van het
gedicht zegt hij: Dat zie je op de top van de berg, als je leven in levensnevel
gehuld lijkt. Je buitenkant smelt als was en in je duistere zelf
wacht de bron op ontdekking. Je ziet wat je liever niet had
willen weten, maar in de nevel komt een gestalte naar je toe.
Sta op. Wees niet bang. Jij immers bent de geliefde, met je
licht en je donker. Wie ik ook ben, Amen Bronnen: |