Terug naar Overzicht Preken

Preek

zondag 17 februari 2008


Voorganger ds. H. van den Berg

Lezingen:
Exodus 24, 12-18
Matteus 17, 1-9

Preek
Steeds weer zoeken mijn ogen naar U. Dat is het refrein van psalm 25, de psalm die in de klassieke liturgie van de tweede en derde zondag in de veertigdagen de toon zet. De derde zondag wordt ook wel ogenzondag genoemd. U bent de zijnde, U verwachten wij, U hebt uw woord naar deze wereld gezonden. Naar U gaat mijn verlangen uit. Steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
Dit lied doet geen recht aan ons gevoel van autonomie, zo merkte iemand afgelopen week op.
Het zal toch niet de bedoeling zijn dat wij ons willoos overgeven aan God, wie of wat dat dan ook is? Wat zou het kunnen betekenen als we zingen: steeds weer zoeken mijn ogen naar U?

Het oog is in de eerste plaats ons belangrijkste zintuig om de wereld om ons heen te observeren. In de symboliek wordt het oog in verband gebracht met licht en geestelijk schouwvermogen.
Ogen kunnen opvangen, maar ook uitstralen, denk maar aan de verzengende blik en het boze oog. In de christelijke iconografie kennen we het oog als symbool voor God. Omgeven door zonnestralen of in een driehoek komt het op veel schilderijen en muurschilderingen voor. Ook de engelen uit de hoogste regionen verbeelden dit licht en spiritueel inzicht: de serafijnen, die enkel vuur en liefde zijn hebben vlammende vleugels en de cherubijnen dragen als teken van goddelijke wijsheid veelogige pauwenveren.

De serafijn uit Poesjkins gedicht raakt vandaag de ogen van de ik-figuur aan:
Zijn vedervingers raakten licht,
Alsof ik droomde, mijn gezicht;
Toen kreeg ik zienersogen, starend,
Bang, als een opgeschrikte arend.

Wat zijn zienersogen? Wat zien zienersogen? Zij zien helder. Zij zien heel duidelijk het verschil tussen werkelijkheid en illusie. Het verschil tussen de illusie van het hebben en de realiteit van het zijn. Zienersogen zijn waarzeggers. Ze vertellen van een waarheid waar je snel overheen kijkt. Zienersogen kijken naar binnen. Zien een glimp van stralend licht, van laaiend vuur en vermoeden een weg daar naar toe.

De weg naar het licht is geen comfortabele snelweg met duidelijke richtingaanwijzers. Aan een Tomtom heb je niets. De weg is, in de oude verhalen, een ongebaand pad door de woestijn, de wildernis, door wouden, door het water, over bergen. De weg voert je bij de vleespotten vandaan. Je wordt uitgeleid uit de geborgenheid van je huis. Je wordt verdreven uit de paradijselijke tuin. Weggevoerd uit de veilige gevangenschap. Je moet op weg omdat je vastgelopen bent. Omdat de drang naar vrijheid niet meer te bedwingen is. Je gaat op weg omdat je niet dood wilt zijn, maar wilt leven. Je neemt aarzelend de onbekende afslag. De weg blijkt al gaande niet de kortste verbinding te zijn tussen hoe het was en hoe het kan zijn. De tocht is moeilijk, beginnend bij het moment dat je alles achter je laat, eindigend in een nieuwe, hoopvolle toekomst. Hoe ziet die tocht eruit?

Daarover lezen we in oude verhalen. Vandaag lezen we bijvoorbeeld twee verhalen over een bergtocht. Je kunt de verhalen lezen als alpinistische avonturen, maar dan lees je met kijkersogen. Met je zienersogen lees je over de innerlijke weg die voert naar het laaiend vuur. Dat laaiend vuur dat in ieder van ons brandt, maar waar we zo weinig bij stilstaan, of van merken.

De tocht begint met een stem, een oproep, een woord, een hand die wenkt: kom, ga mee. Die stem verneem je omdat je leven een wending heeft genomen die je niet verwachtte. Het woord valt je nu opeens op omdat je voor een beslissende keuze staat. Je ziet die wenkende hand nu pas omdat je je door het leven sleept en geen zin meer ziet in wat je doet.

Je volgt de stem, die innerlijke drang, van uit een verlangen naar een andere invulling van je bestaan, vanuit een verlangen naar vervulling. Aanvankelijk ga je met anderen, zoals Mozes met Jozua en de oudsten, zoals Jezus met zijn drie leerlingen. Zoals wij als geloofsgemeenschap met elkaar op weg gaan. Maar vanaf een bepaald moment moet je alleen verder. Je geliefden, je dierbaren, je vrienden, zij blijven achter. Zij kunnen jouw tocht niet meemaken. “Wie zijn lot gekozen heeft, de tocht begonnen is naar zijn eigen bodem (is er een bodem?) nog midden onder u staat hij al buiten het leven. ... Zelf zal hij u zien steeds verder weg, de lokroep van uw stemmen horen steeds zwakker.” zo beschrijft Dag Hammarskjöld deze ervaring. De weg, als je al van een weg kunt spreken, voert verder omhoog. Dan omhult een wolk de helling in haar nevel. Het wordt donker. De lichten van de zintuigen en van het verstand zijn hier gedoofd. Het lijkt wel of God, naar wie jouw verlangen uitgaat, steeds verder uit het zicht verdwijnt. Je kunt steeds minder met de beelden van God. Je hebt steeds minder houvast aan het geloof. Er komt een moment dat je heel zeker dat God niet bestaat. De donkere nacht van het geloof. Als een blinde tast je rond. Je kunt de tocht afbreken en teruggaan. Je kunt ook ter plekke je tent opslaan en je in bitterheid beklagen dat God je in de steek heeft gelaten. Maar je kunt ook verder, zoals Mozes, die de wolk binnenging en verder de berg opklom. Veertig dagen en nachten bleef hij op de berg. Hij volgde zijn verlangen. In de stilte en eenzaamheid kon hij de neiging weerstaan de innerlijke leegte op te vullen. In die leegte kon hij Gods verborgen omgang vinden. In de donkere nacht werkt de trekkracht van de liefde. Hier opent zich, in het verborgene, een bron. “Ik ken de bron, haar wellen en haar stromen, al is het nacht,” dicht Johannes van het Kruis.

Mozes klimt naar de top, naar het laaiende vuur. Daar blijft hij 40 dagen en nachten, de tijd die nodig is voor zijn transformatie, zijn innerlijke overgave aan het heilige. Gehuld in het duister van de wolk wordt hij vervuld met het verterende vuur, met de glorie van de Eeuwige. Jezus van Nazareth heeft zijn leerlingen willen laten zien dat het gaan van de innerlijke weg niet alleen is weggelegd voor de grote spirituele figuren uit de godsdienstgeschiedenis. Mozes en Elia waren natuurlijke uitzonderlijke types, maar wat zij meemaakten op hun weg niet. Ook wij kunnen in navolging van Jezus deze weg gaan. Durven wij het aan om ons te laten meenemen op die bergtocht? Om in onszelf de lichtende gestalte te aanschouwen? Om een innerlijke stem te horen die zegt: Jij bent de dochter, de zoon. In jou heb ik welbehagen. Luister naar je innerlijke stem? Het verlangen is er, maar die top, in donker gehuld en tegelijk oogverblindend stralend, lijkt zo onbereikbaar. Maar je zienersogen hebben al gezien dat die top zo nabij is als je eigen adem. Het is aanlokkelijk en huiveringwekkend tegelijkertijd.

De weg gaat door de wolk, door het duister. Dit is niet alleen het duister van de zintuigen en het verstand. Het is ook het duister dat je aantreft in je zelf. Je komt onderweg onontkoombaar voor de vraag te staan: wie ben ik eigenlijk? Deze ervaring is op een aangrijpende manier door Dietrich Bonhoeffer onder woorden gebracht. In zijn gedicht Wie ben ik, geschreven in de gevangenis, vraagt hij zich af of hij de stoere, zelfbewuste man is zoals de mensen hem zien, of de bange, onrustige mens, zoals hij zichzelf ziet. Aan het einde van het gedicht zegt hij:
Wie ben ik? Eenzaam vragen drijft de spot met mij.
Wie ik ook ben, Gij kent mij.
U behoor ik toe, o God!

Dat zie je op de top van de berg, als je leven in levensnevel gehuld lijkt. Je buitenkant smelt als was en in je duistere zelf wacht de bron op ontdekking. Je ziet wat je liever niet had willen weten, maar in de nevel komt een gestalte naar je toe. Sta op. Wees niet bang. Jij immers bent de geliefde, met je licht en je donker.

Wie ik ook ben,
Gij kent mij.
Steeds weer
zoeken mijn ogen
naar U.

Amen

Bronnen:
Alexandr Poesjkin, gedicht De profeet
Dag Hammarskjöld, Merkstenen
Johannes van het Kruis, gedicht Al is zij nachtelijk
Dorothee Sölle, De heenreis

naar boven