|
Terug naar Overzicht Preken
Preek
zondag
2 maart 2008
4e zondag van de veertig dagen (Laetare)
Voorganger ds. H. van Waveren
AANROEPING EN INKEER
orgelspel en welkom
aanroepingslied: psalm 122
bemoediging en groet
zingen: Hoor. Maar ik kan niet horen
inkeer, stilte en gebed
zingen: Hoor. Maar ik wil niet horen
HOREN EN VERSTAAN
inleiding
Tot nu toe was de serafijn, die in de woestijn zesvleugelig de
weg bewaakt, tot nu toe, gemeente, was die serafijn nog tamelijk
zachtaardig.
Zijn vedervingers raakten licht mijn gezicht en ik kreeg
zienersogen.
Dan raakte hij mijn oren aan en deed mij allerlei rumoer
verstaan.
Vandaag echter komt hij mij wel zeer na en ontrukt mijn mond
de sluwe, de gladde tong, die tot die stond gezondigd had en
vals gesproken.
Zijn hand was een bebloede prang:
de angel van een wijze slang werd in de open wond gestoken.
Bij Poesjkin is vandaag de mond aan de orde, in Johannes 9 de
ogen.
Dat is wel een beetje gecompliceerd.
Nog lastiger vond ik de combinatie met de aangegeven lezing uit
1 Samuel, waar de kleine David boven al zijn grote broers tot
koning uitverkoren en gezalfd wordt.
Ik ben maar zo vrij geweest dat verhaal te vervangen door Jesaja
6.
Als Maarten Huiskamp ons dat zo voorleest, zult u begrijpen
waarom.
Maar eerst bidden en zingen wij om de Geest van horen en
verstaan.
melodie: Laudate omnes gentes (Taizé)
Gezegend God van mensen, wij heiligen uw naam.
Wees met uw geest aanwezig, dat wij uw woord verstaan.
Jesaja 6, 1-13
Psalm 140
Joh 9,1-13 en 26-39
gezang 487
preek
In de hele bijbel, gemeente, is Jesaja 6 de enige plek waarin
een seraf of serafijn voorkomt.
En óók de enige plek waar de lippen van de profeet met een
gloeiende kool gereinigd worden.
Het haalt wel niet bij Poesjkin, maar het lijkt er toch op.
Waar bij Jesaja de lippen gereinigd worden moet bij Poesjkin de
gladde tong er helemaal uit om vervangen te worden (en dat
intrigeert mij nog het meest) door de angel, door de vorktong
van een wijze slang.
Want in de bijbel heeft de slang geen beste reputatie.
Vrijwel overal belichaamt hij met zijn dubbele tong de diabolos,
die tweedracht zaait tussen de mensen of wat vrijwel op
hetzelfde neerkomt:
tussen God en de mensen.
In Genesis 3 staat dat de slang het gladste was van alle dieren
die God gemaakt had.
Arum staat er in het hebreeuws wat meestal vertaald wordt met
slim;
terwijl arom, één letter verschil maar naakt betekent.
En die gladde slang zei:
als jullie eten van die boom zullen jullie helemaal niet
sterven,
maar dan zullen jullie ogen opengaan en worden jullie als goden:
kenners van goed en kwaad.
En dat bleek te kloppen:
want toen ze van de vrucht gegeten hadden werden hun beider ogen
geopend en zij kenden dat zij arom waren, dat zij naakt waren.
Maw: zij werden zich bewust van hun kwetsbaarheid.
Precies wat de slang gezegd had, dat slimme beest.
De eerste volksopvoeder.
Maar een beetje waardering daarvoor in de rest van de bijbel, ho
maar.
In de hele bijbel wordt zijn slimheid als verraderlijke sluwheid
geïnterpreteerd.
Ik weet daarop eigenlijk maar één uitzondering, nl in Mt 10 waar
Jezus tot zijn leerlingen zegt:
Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven;
weest dan fronimos weest dan wijs als slangen en argeloos als
duiven.
Ook in allerlei niet-bijbelse godsdiensten en culturen wordt de
wijsheid van de slang hogelijk geroemd.
De hindoes noemen hun wijze mannen Naga's, hetgeen "slangen"
betekent.
In Indië en Arabië at men slangenharten en slangenlevers om net
als de slang zelf de taal van alle dieren te kunnen verstaan.
en de gnostische sekte van de Ophieten of Slangenbroeders
vereerden de slang omdat zij de mens de kennis van goed en kwaad
onderwezen heeft.
Ik heb niet voor u kunnen vinden hoe die traditie in de loop der
eeuwen zijn weg naar onze tijd en met name naar de Russische
literatuur gevonden heeft,maar het kan niet anders of Poesjkin
moet daarvan geweten hebben als hij de seraf bij de profeet
juist diens sluwe, gladde, valse tong laat vervangen door de
angel van een wijze slang.
Pijnlijker nog maar wel met dezelfde bedoeling als de gloeiende
kool waarmee Jesaja’s lippen gereinigd werden.
Na die gloeiende kool is Jesaja trouwens een heel wat pedantere
profeet
dan b.v. Mozes of Jeremia.
Als die geroepen worden putten ze zich eindeloos uit in
argumenten waarom God veel beter een ander zou kunnen sturen,
met name een ander die beter van de tongriem gesneden is.
Zo niet Jesaja!
Als God vraagt: “wie zal Ik zenden?”
zegt hij: “HINENI, HIER BEN IK, NEEM MIJ MAAR”.
Als je Johannes zou mogen geloven doet JvN in zelfbewustheid
trouwens niet voor hem onder.
Die zou immers gezegd hebben:
“Ik ben het levend brood,
Ik ben het levend water,
Ik ben de goede Herder,
Ik ben de weg, de waarheid en het leven
Ik ben de opstanding en het leven”.
En na elk van die Ik-ben-woorden volgt dan een discussie met
zijn tegenstanders en meestal ook een wonder om te illustreren
dat hij werkelijk is wat hij zegt.
Zo’n illustratie heet een midrasj.
Volgens Johannes zei hij ook nog gezegd hebben:
“Ik ben het licht der wereld”
En het verhaal van de blindgeborene dat we net gelezen hebben
met de bijbehorende discussie is dan de midrasj die moet
bewijzen dat hij dat werkelijk is: het licht der wereld.
Het is geen geringe pretentie die Jezus door Johannes in de mond
gelegd krijgt En ook al mag ik hopen dat hij het zelf nooit zo
onuitstaanbaar pretentieus gezegd heeft, vertolkt de evangelist
daarmee wel behoorlijk trefzeker hoe groot en paniekerig
dikwijls de weerstand is tegen profetische types als JvN.
Mijn komst, laat hij Jezus zeggen, mijn komst brengt wel een
zeer grote krisis te weeg:
blinden gaan zien en zienden worden blind.
Naar zo’n weerstand hoef je als mens niet te verlangen.
Logisch dat zulke profeten ook zelf nog als eens in een krisis
raken.
Wat verbeeld ik me wel?
Zou uitgerekend ik de aangewezen persoon zijn om zo’n
ongemakkelijke boodschap te vertolken?
Zou ik dan de drager zijn van een belofte, waar ik zelf
allesbehalve een toonbeeld ben?
Want wie zich verbeeldt dat wel te zijn is meestal geen profeet.
Kan een ander dat niet beter doen?
En dan gan je aan alles twijfelen.
Neem b.v. Mozes, die meent te horen niet alleen dat farao
bikkelhard is maar ook dat God zelf daarvan de oorzaak is, dat
het God zelf is die hem bikkelhard gemaakt heeft en hem heeft
opgestookt israel niet te laten gaan.
Om maar helemaal te zwijgen over de malle gedachte dat God hem
op zijn tocht naar farao probeerde te vermoorden.
Typisch nachtmerries voor aan zichzelf twijfelende profeten.
Want ook Jesaja, die tamelijk pedant zichzelf had
aangeboden,hoorde nog geen twee tellen later:
: ‘Ga en zeg tegen dit volk:
“Luister goed, maar begrijpen zul je het niet;
kijk goed, maar zien zul je het niet.”
10 Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe,
smeer hun ogen dicht.
Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet
luisteren, en tot hun hart zal het niet doordringen.
Ze zullen niet naar mij terugkeren en geen herstel vinden.’
Ik wil maar zeggen, gemeente:
wat wij God noemen gaat je niet in de kouwe kleren zitten.
Want Hij stuurt het altijd op vechten aan, zowel op vechten met
de potentaten van deze wereld als op vechten met je zelf.
Denk maar aan Jacob, die gewond en kreupel te voorschijn kwam
uit zijn gevecht met God, met zijn door hem bedrogen broer Ezau
of met zichzelf.
Dat wist hij eigenlijk niet.
Wat Jacob c.q. Israel voortaan wel wist, dat het mank liep.
Ik zal bij je zijn mag God dan zijn dienaren altijd beloven,
maar dat wil blijkbaar niet zeggen dat het nu voortaan allemaal
van een leien dakje gaat.
Gods weg kan evenzo goed keihard zijn, geen weg van zoete
broodjes bakken en geen weg van grazige weiden zonder meer.
Je kunt niet zo maar met Hem op weg, want naast al het andere is
Hij ook een verterend vuur, een vuur dat aan je vreet.
Dat komt niet in mindering op zijn genade of zijn
barmhartigheid.
Want juist in zijn genade en in zijn barmhartigheid is Hij een
verterend vuur.
Dus weer die dubbelheid, gemeente, van een genade die
tegélijkertijd én overvloedig én veeleisend is, alles geeft maar
ook alles vraagt.
Ons klinkt dat tegenstrijdig in de oren, maar als je geen twee
goden wilt,
een van het goede en één van het kwade, dan kun je niet anders
dan in de ene God licht én donker ontwaren.
Op weg naar het licht moet je dan door de nacht heen.
Precies dat hoor en zie ik vandaag ook in de woorden van
Poesjkin en de pastels van Juke Hudig:
16 En dan ontrukte hij mijn mond
17 De sluwe tong, die tot die stond
18 Gezondigd had en vals gesproken.
19 Zijn hand was een bebloede prang:
20 De angel van een wijze slang
werd in de open wond gestoken.
Blij dat ík geen profeet hoef te zijn, voel ik u denken.
En ik voel en denk het met u mee.
Hoewel …., misschien moet je dat ook weer niet te gauw denken.
Iemand zal het toch moeten zeggen, want zonder visioenen, zegt
het Spreukenboek verwildert het volk.
Zonder blinden die gaan zien en die ook als ze geintimideerd
worden, toch durven zeggen, wie of wat hen de ogen geopend
heeft, raken we met zijn allen op doodlopende wegen.
En ook al zijn het vaak enkelingen die de last van het
profeetschap op zich nemen, we moesten ze maar niet alleen
laten.
Jaren geleden zeiden we soms dat het de taak van de kerk was om
profetisch te spreken.
Dat was nog al pretentieus.
Het zou misschien al heel wat zijn zo nu en dan één uur te waken
en niet in de slaap weg te duiken als een op een steenworp
afstand de profeten onder ons water en bloed zweten.
Het zal ons nog moeite genoeg kosten om tussen alle valse
profeten de ware te onderscheiden, die, om met Poesjkin te
spreken, bereid geweest is zijn sluwe valse tong te laten
vervangen door de angel van een wijze slang.
Maar naar de mate waarin ons het lukken zal dat te onderscheiden
zal een vreemde vreugde ons deel worden.
begrijp ik vandaag van Jesaja, van de blindgeborene en van
Poesjkins en Juke Hudigs Profeet.
Niet die van het zwitserlevengevoel, maar die van de pelgrims
voor de poorten van Jeruzalem, die elkaar bij zetels van het
recht met vrede groeten.
Amen.
GEBEDEN EN GAVEN
stilte en voorbeden
lofprijzing
Onze vader
UITZENDING EN ZEGEN
slotlied: Tussendtijds 148 (Gij zijt in glans verschenen)
uitzending
zegen
naar boven
|