|
Preek zondag 9 maart 2008
Gemeente, Wat was uw eerste indruk toen u zonet zat te luisteren naar
de verhalen uit Ezechiel en Johannes? Vond u het afstotend,
macaber, horrorachtig? Al die beelden van dood, daar wordt een
mens niet vrolijk van. Daarom is het goed om nu al goed voor
ogen te houden waar het naar toe gaat. De doden van Ezechiel
staan op hun voeten. De dode Lazarus komt in het verhaal va
Johannes uit zijn graf. De profeet van Poesjkin, die in de
woestijn ligt te sterven hoort Gods stem zeggen: verrijs. Wij
hebben de neiging om het in het paasverhaal de nadruk te leggen
op het lijden, maar het gaat om de opstanding. De Matteus- en
Johannespassion trekken bij ons volle zalen, maar wie beluistert
de cantate die Bach voor paasmorgen heeft geschreven? De verhalen van deze morgen, de beelden die ze oproepen, de
gevoelens van afkeer die we daarbij kunnen krijgen, dat ligt nu
allemaal op ons bord. Ezechiel beschrijft ons een visioen, een
droom, van een vallei vol met verdroogde en uiteengevallen
geraamtes. Wie denkt bij dit verhaal niet aan de Killing Fields
van Cambodja? Dan schotelt het evangelie van Johannes ons de
opwekking van Lazarus voor, compleet met allerlei morbide
details. En alsof dat nog niet genoeg is staat vandaag ook het
misschien wel meest gruwelijke deel van Poesjkins gedicht
centraal, waar de dichter vertelt hoe het hart uit zijn borst
wordt gesneden en hoe een gloeiend kooltje daarvoor in de plaats
wordt ingedreven. Op het eerste gehoor erg onsmakelijk allemaal.
Laat ik beginnen met te zeggen dat ik deze teksten lees als
metaforen. Naar mijn idee hebben we hier te maken met
symbolische taal. Voor het gedicht is dat misschien een open
deur, maar voor het visioen van Ezechiel en voor het verhaal van
de opwekking van Lazarus is dat minder vanzelfsprekend. Als wij
deze verhalen lezen als gebeurtenissen dan wordt onze weerzin en
ons onbegrip alleen maar groter. Daarom is van belang te
benadrukken dat deze teksten verstaan moeten in een andere
taalsoort. Deze taal opent een ruimte waarin wij onze eigen
ervaringen kunnen duiden. Zoals een röntgenfoto zichtbaar kan
maken wat er binnen in ons lichaam aan de hand is, zo kan
symbolische taal laten oplichten wat er speelt in ons innerlijk
leven. Dus het gaat niet over geraamtes, niet over een wandelend
lijk en ook niet over een gruwelijke verminking. Maar waar gaat
het dan wel over? Ik denk dat je de teksten van vandaag mag lezen als beelden
van de levenswende. De omslag in het leven die veel mensen
ervaren tussen hun veertigste en zestigste levensjaar. Het goed
voltooien van die levenswende is kennelijk niet zo eenvoudig,
vandaar dat lang niet iedereen het gevoel van opstanding heeft,
of van een nieuw leven. Nogal wat mensen lopen vast. Dan heb je
het gevoel dat je niet verder komt. Dan kun je het gevoel hebben
dat je innerlijk leven al afgestorven is, terwijl je gewoon
verder leeft. Voor de levenswende, in de eerste decaden van je leven,
krijgt het leven zijn vorm en structuur. Je hebt belangrijke
keuzes gemaakt, die je leven blijvend beďnvloeden. Ook kunnen de
omstandigheden je leven bepalen. Als je in de crisistijd en
oorlogsjaren opgroeit heb je veel minder te kiezen dan de
jongeren die nu opgroeien. Wat je ook kiest, hoe je ook met de
gegeven omstandigheden omgaat, het legt je leven voor een
belangrijk deel vast. Je neemt je eigen plekje in in het grote
geheel. Dat geldt voor ons in Twente. Dat geldt voor de Joodse
ballingen in Babel, waarvan Ezechiel er één was. Dat geldt voor
Lazarus die in Bethanië leeft. Die eerste periode vraagt veel
aandacht en energie, die vooral naar buiten gericht is. Dan komt
er een moment dat die energie een andere richting krijgt. Als de
kinderen zichzelf kunnen redden. Als je loopbaan zijn beslag
heeft gekregen. Als alles zo zijn gangetje gaat. Dan komt er
ruimte voor de vraag: is dit nu wat ik van het leven verwachtte?
Ik zit hier nu als balling in Babel. Moet ik de rest van mijn
leven hier slijten of kan ik ooit terug naar Jeruzalem? Ik heb
mijn bedoeninkje hier in Bethanië opgebouwd. Moet ik nu de rest
van mijn leven zo doorploeteren? Ik heb een goede positie
opgebouwd. Ik ben niet ontevreden over mijn relatie, mijn
kinderen, mijn vrienden. Maar is dit het nu? Als die vragen opborrelen in je binnenste en je durft die
vragen eerlijk onder ogen te zien, dan kun je tot de ontdekking
komen dat je tot nu toe veel aandacht hebt besteed aan je
behoeften, maar niet aan je verlangen. Je kunt tot de ontdekking
komen dat je alles in het leven nu wel gezien hebt, dat het
leven geen geheimen meer voor je heeft. Maar tegelijkertijd merk
je dat je geen verbinding hebt met het Levensgeheim. Je merkt
dat de zorg om het dagelijkse bestaan de zorg voor je innerlijk
heeft verdrongen. Mijn geest verdorstte, zegt de profeet. Je
speelt op verschillende tonelen en podia van het leven je rol,
dat doe je goed, maar je bent gefragmenteerd, zonder focus. De
dorre beenderen liggen verspreid in de vallei. Je wordt geheel
in beslag genomen door de dwingende patronen van produceren en
consumeren. Je bent dood en begraven in je gouden graf. Je
bestaan verstart. Uit diepe lagen komen de vragen naar zin, naar
bestemming en naar religiositeit naar boven. Dan sta je op een splitsing. Hoe ga ik verder. Onderdruk ik
de vragen die boven komen en neem ik genoegen met hoe het nu is,
of laat ik het toe dat er in mijn leven een nieuwe wind gaat
waaien? Laat ik het toe dat iets of iemand mij aanraakt en mijn
leven uit het donker aan het licht brengt? Ben ik bereid om net
zoveel zorg aan mijn innerlijk leven te besteden als ik heb
besteed aan mijn uiterlijk leven? Uit de verhalen van deze morgen blijkt dat de omslag op de
één of andere manier aan je gebeurt. Er zit een passief moment
in. Je kunt door de loop van je leven totaal onderuit
geschoffeld worden. Je kunt ervaren dat je aan de uiterste grens
terecht komt. Dat alles je uit handen geslagen is. Mensen zeggen
dan: het was tien jaar woestijn, of ik leefde in de hel. Juist
dan kun je die wonderbaarlijke ervaring krijgen dat er een
kracht in je werkzaam is, die niet van jezelf is. Ik vergelijk
het wel eens met een pingpongballetje dat je onder water duwt.
Als je het loslaat schiet het weer omhoog. De ervaring van een
opwaartse kracht is voor veel mensen een religieus moment in hun
leven. Heel even heb je contact met iets of iemand, groter dan
je eigen hart. Heel even ben je verbonden met het Levensgeheim.
Die ervaring kan een doorbraak worden in je leven. Je vat moed
om een nieuwe richting in te slaan. En die moed is noodzakelijk,
want ons hart, vol broos en angstig leven, kan ons de rest van
ons leven gevangen houden. Herman Andriessen citeert in zijn boek Spiritualiteit en
levensloop uit een dagboek. Dit citaat geeft heel herkenbaar
weer waar het in de omslag van dood naar leven om gaat. Een nieuw voorwaarts, waarin je met zienersogen kunt
onderscheiden wat wortelt in je eigen schaduw en wat ontstaat
uit het licht. Waarin je oren zich openen om te verstaan wat
zich tussen hemel en aarde roert. Waarin er niets meer over je
lippen komt wat niet waarachtig is. Waarin je bange hart, dat je
zovaak op het verkeerde been bracht, is verdwenen. In je
binnenste gloeit een kooltje, dat tevoorschijn kwam toen de wind
opstak en de aslaag werd weggeblazen. Augustinus zei het zo: Amen Bronnen: Gebeden Uit het diepste diep roepen wij U aan Barmhartige God Wij zijn uw lichaam, gewond en lichtvoetig Wij dragen aan U op het verdriet dat ons bedrukt Geef ons de moed om aan veel te sterven wat ons van U scheidt In de stilte van ons hart bidden wij bidden wij met elkaar het Onze Vader (bron Maria de Groot) |