Terug naar Overzicht Preken

Preek

zondag 9 maart 2008


Voorganger ds. H. van den Berg

Lezingen:
Exodus 37, 1-14
Johannes 11, 1-44

Gemeente,

Wat was uw eerste indruk toen u zonet zat te luisteren naar de verhalen uit Ezechiel en Johannes? Vond u het afstotend, macaber, horrorachtig? Al die beelden van dood, daar wordt een mens niet vrolijk van. Daarom is het goed om nu al goed voor ogen te houden waar het naar toe gaat. De doden van Ezechiel staan op hun voeten. De dode Lazarus komt in het verhaal va Johannes uit zijn graf. De profeet van Poesjkin, die in de woestijn ligt te sterven hoort Gods stem zeggen: verrijs. Wij hebben de neiging om het in het paasverhaal de nadruk te leggen op het lijden, maar het gaat om de opstanding. De Matteus- en Johannespassion trekken bij ons volle zalen, maar wie beluistert de cantate die Bach voor paasmorgen heeft geschreven?

De verhalen van deze morgen, de beelden die ze oproepen, de gevoelens van afkeer die we daarbij kunnen krijgen, dat ligt nu allemaal op ons bord. Ezechiel beschrijft ons een visioen, een droom, van een vallei vol met verdroogde en uiteengevallen geraamtes. Wie denkt bij dit verhaal niet aan de Killing Fields van Cambodja? Dan schotelt het evangelie van Johannes ons de opwekking van Lazarus voor, compleet met allerlei morbide details. En alsof dat nog niet genoeg is staat vandaag ook het misschien wel meest gruwelijke deel van Poesjkins gedicht centraal, waar de dichter vertelt hoe het hart uit zijn borst wordt gesneden en hoe een gloeiend kooltje daarvoor in de plaats wordt ingedreven. Op het eerste gehoor erg onsmakelijk allemaal.

Laat ik beginnen met te zeggen dat ik deze teksten lees als metaforen. Naar mijn idee hebben we hier te maken met symbolische taal. Voor het gedicht is dat misschien een open deur, maar voor het visioen van Ezechiel en voor het verhaal van de opwekking van Lazarus is dat minder vanzelfsprekend. Als wij deze verhalen lezen als gebeurtenissen dan wordt onze weerzin en ons onbegrip alleen maar groter. Daarom is van belang te benadrukken dat deze teksten verstaan moeten in een andere taalsoort. Deze taal opent een ruimte waarin wij onze eigen ervaringen kunnen duiden. Zoals een röntgenfoto zichtbaar kan maken wat er binnen in ons lichaam aan de hand is, zo kan symbolische taal laten oplichten wat er speelt in ons innerlijk leven. Dus het gaat niet over geraamtes, niet over een wandelend lijk en ook niet over een gruwelijke verminking. Maar waar gaat het dan wel over?

Ik denk dat je de teksten van vandaag mag lezen als beelden van de levenswende. De omslag in het leven die veel mensen ervaren tussen hun veertigste en zestigste levensjaar. Het goed voltooien van die levenswende is kennelijk niet zo eenvoudig, vandaar dat lang niet iedereen het gevoel van opstanding heeft, of van een nieuw leven. Nogal wat mensen lopen vast. Dan heb je het gevoel dat je niet verder komt. Dan kun je het gevoel hebben dat je innerlijk leven al afgestorven is, terwijl je gewoon verder leeft.

Voor de levenswende, in de eerste decaden van je leven, krijgt het leven zijn vorm en structuur. Je hebt belangrijke keuzes gemaakt, die je leven blijvend beďnvloeden. Ook kunnen de omstandigheden je leven bepalen. Als je in de crisistijd en oorlogsjaren opgroeit heb je veel minder te kiezen dan de jongeren die nu opgroeien. Wat je ook kiest, hoe je ook met de gegeven omstandigheden omgaat, het legt je leven voor een belangrijk deel vast. Je neemt je eigen plekje in in het grote geheel. Dat geldt voor ons in Twente. Dat geldt voor de Joodse ballingen in Babel, waarvan Ezechiel er één was. Dat geldt voor Lazarus die in Bethanië leeft. Die eerste periode vraagt veel aandacht en energie, die vooral naar buiten gericht is. Dan komt er een moment dat die energie een andere richting krijgt. Als de kinderen zichzelf kunnen redden. Als je loopbaan zijn beslag heeft gekregen. Als alles zo zijn gangetje gaat. Dan komt er ruimte voor de vraag: is dit nu wat ik van het leven verwachtte? Ik zit hier nu als balling in Babel. Moet ik de rest van mijn leven hier slijten of kan ik ooit terug naar Jeruzalem? Ik heb mijn bedoeninkje hier in Bethanië opgebouwd. Moet ik nu de rest van mijn leven zo doorploeteren? Ik heb een goede positie opgebouwd. Ik ben niet ontevreden over mijn relatie, mijn kinderen, mijn vrienden. Maar is dit het nu?

Als die vragen opborrelen in je binnenste en je durft die vragen eerlijk onder ogen te zien, dan kun je tot de ontdekking komen dat je tot nu toe veel aandacht hebt besteed aan je behoeften, maar niet aan je verlangen. Je kunt tot de ontdekking komen dat je alles in het leven nu wel gezien hebt, dat het leven geen geheimen meer voor je heeft. Maar tegelijkertijd merk je dat je geen verbinding hebt met het Levensgeheim. Je merkt dat de zorg om het dagelijkse bestaan de zorg voor je innerlijk heeft verdrongen. Mijn geest verdorstte, zegt de profeet. Je speelt op verschillende tonelen en podia van het leven je rol, dat doe je goed, maar je bent gefragmenteerd, zonder focus. De dorre beenderen liggen verspreid in de vallei. Je wordt geheel in beslag genomen door de dwingende patronen van produceren en consumeren. Je bent dood en begraven in je gouden graf. Je bestaan verstart. Uit diepe lagen komen de vragen naar zin, naar bestemming en naar religiositeit naar boven.

Dan sta je op een splitsing. Hoe ga ik verder. Onderdruk ik de vragen die boven komen en neem ik genoegen met hoe het nu is, of laat ik het toe dat er in mijn leven een nieuwe wind gaat waaien? Laat ik het toe dat iets of iemand mij aanraakt en mijn leven uit het donker aan het licht brengt? Ben ik bereid om net zoveel zorg aan mijn innerlijk leven te besteden als ik heb besteed aan mijn uiterlijk leven?

Uit de verhalen van deze morgen blijkt dat de omslag op de één of andere manier aan je gebeurt. Er zit een passief moment in. Je kunt door de loop van je leven totaal onderuit geschoffeld worden. Je kunt ervaren dat je aan de uiterste grens terecht komt. Dat alles je uit handen geslagen is. Mensen zeggen dan: het was tien jaar woestijn, of ik leefde in de hel. Juist dan kun je die wonderbaarlijke ervaring krijgen dat er een kracht in je werkzaam is, die niet van jezelf is. Ik vergelijk het wel eens met een pingpongballetje dat je onder water duwt. Als je het loslaat schiet het weer omhoog. De ervaring van een opwaartse kracht is voor veel mensen een religieus moment in hun leven. Heel even heb je contact met iets of iemand, groter dan je eigen hart. Heel even ben je verbonden met het Levensgeheim. Die ervaring kan een doorbraak worden in je leven. Je vat moed om een nieuwe richting in te slaan. En die moed is noodzakelijk, want ons hart, vol broos en angstig leven, kan ons de rest van ons leven gevangen houden.
Wie aan dit bestaan verloren
nieuw begin heeft afgezworen
wie het houdt bij wat hij heeft
sterven zal hij ongeleefd.
Zo begint het derde couplet van Tussentijds 47.

Herman Andriessen citeert in zijn boek Spiritualiteit en levensloop uit een dagboek. Dit citaat geeft heel herkenbaar weer waar het in de omslag van dood naar leven om gaat.
“Ik heb mijn oude stellingen los moeten laten. Ik heb mijn boosheid, depressie, angst en gevoel van zinloosheid onderkend als wortelend in mijn eigen schaduw. Ik heb naar vermogen afgezien van de behoudende macht in mijzelf die mij naar het vertrouwde Egypteland zou willen terugvoeren, alsof er geen uittocht gaande was. Nu neem ik dit nieuwe op en kom zo tot een nieuw voorwaarts.”

Een nieuw voorwaarts, waarin je met zienersogen kunt onderscheiden wat wortelt in je eigen schaduw en wat ontstaat uit het licht. Waarin je oren zich openen om te verstaan wat zich tussen hemel en aarde roert. Waarin er niets meer over je lippen komt wat niet waarachtig is. Waarin je bange hart, dat je zovaak op het verkeerde been bracht, is verdwenen. In je binnenste gloeit een kooltje, dat tevoorschijn kwam toen de wind opstak en de aslaag werd weggeblazen. Augustinus zei het zo:
Mij, lichtgeraakte, heb jij doen ontbranden, en nu brand ik lichterlaaie naar jou toe, om vrede.
Dan staan de doden op hun voeten. Dan komt Lazarus uit het donker aan het licht. Dan spreekt God tot de profeet: verrijs.

Amen

Bronnen:
Herman Andriessen, Spiritualiteit en levensloop
Augustinus, Belijdenissen X,27, in bewerking van Huub Oosterhuis

Gebeden

Uit het diepste diep roepen wij U aan
hoor wat wij zeggen, luister toch naar ons bidden en smeken.
Als U ons tekort in gedachte houdt blijft niemand overeind.
Maar bij U is vergeving, een nieuw leven.
Wij kijken uit naar U, met heel ons hart kijken wij U uit;
Ons hart kijkt uit naar U meer dan wachters uitkijken naar de ochtend.
Bij U is liefde.
Uw naam naam zij geloofd.
(naar ps 130)

Barmhartige God

Wij zijn uw lichaam, gewond en lichtvoetig
Een vreugde voor de wereld
In de ogen van anderen doen wij, gelovigen, er niet meer toe
Maar Uw lijden is niet van lang geleden U lijdt aan het nu
Wij geloven dat U deze wereld niet los wilt laten
Houd deze wereld vast met onze handen

Wij dragen aan U op het verdriet dat ons bedrukt
De angst waarin wij leven
Wij dragen aan U op die zichtbaar of onzichtbaar lijden
Wij staan stil bij de slachtoffers van geweld en onderdrukking
Waar ter wereld niet?
Doe uw licht opgaan onder de mensen
Geef ons moed te handelen

Geef ons de moed om aan veel te sterven wat ons van U scheidt
Geef ons inzicht in wat uw lijden en dood betekent
Neem ons mee in uw opstanding
Door uw liefde en genade die vergeeft, troost, verzoent.
Die ons aanzegt dat wij niet
Voorbij hoeven te gaan in een zinloos bestaan
Maar onszelf en elkaar mogen aanvaarden
Als mensen die dood waren en levend zijn geworden
Die waren verloren en zijn gevonden

In de stilte van ons hart bidden wij
Wat niemand voor ons bidden kan
……..
Zo bidden en zingen wij

bidden wij met elkaar het Onze Vader

(bron Maria de Groot)

naar boven