|
Preek zondag 06 april 2008
Gemeente, Vandaag is de laatste dag van de week van de psychiatrie. Dit
jaar is het motto: Een andere psychiatrie?! Er aandacht besteed
aan behandelingen die je niet zo snel verbindt met de
geestelijke gezondheidszorg, zoals Lichtenergie, Acupunctuur,
Hartcoherentie, Running therapy, (Emotioneel) Lichaamswerk,
Yoga, Meditatie, Mindfulness, Bachbloesems. Het is een greep uit
de namen en voorbeelden van alternatieve of aanvullende
benaderingen op de ‘gewone’ geestelijke gezondheidszorg (GGz).
Als we op het terrein aanbelanden van de alternatieve en
aanvullende benaderingen komen we ook op het terrein van
zingeving, geloof en spiritualiteit. De Werkgroep die de week
van de psychiatrie organiseert, constateert dat er een grote
behoefte is om niet alleen vanuit de reguliere geneeskunde te
kijken naar geestelijke gezondheid en genezing. Cliënten van de
GGz ervaren dat er vaak te weinig plaats is voor de
mens-in-zijn-geheel, voor zingevingvragen, voor bezieling in de
psychiatrie. Veel cliënten ontlenen steun aan hun geloof en aan
spiritualiteitbeleving. De werkgroep Week van De Psychiatrie
erkent ook het belang van geloofsbeleving en zingevingvragen.
Vandaag staat de dienst in het teken van de Stichting Labyrint
in perspectief. Een stichting die familieleden en andere nabijen
van mensen met een psychiatrische aandoening wil ondersteunen.
Door de psychische aandoeningen van mensen in onze nabijheid,
kan het leven zich bizar en grillig aan ons voordoen. Hoe ga je
met de situatie om. Hoe benader je je partner, je kind, je vader
of moeder? Maar in de diepte van ons eigen gemoed ligt een
andere vraag. Hoe hou ik contact met mijzelf. Hoe hou ik contact
met God. Hoe kom ik aan mijn geestelijk voedsel als mijn netten
leeg blijven? Juist deze laatste vragen, die woelen in de ziel, laten zien
hoe belangrijk het is in therapie ook geloofsvragen en
spiritualiteit te betrekken. De therapie is gericht op het
ziektebeeld. De alternatieve benaderingen, waaronder het
pastoraat, is gericht op heel de mens in relatie met wat haar of
hem heilig is. In het evangelieverhaal van vandaag is dit
precies het punt. Hoe houd je contact met de levende Heer als
verdriet en teleurstelling de overhand krijgen in je leven. De leerlingen van Jezus hebben na Golgotha deze vraag. Hoe
moeten ze terugkijken op hun tijd met Hem die zij de Messias
noemden? Hebben ze al die tijd opgetrokken met een
godsdienstwaanzinnige? Zijn ze bedrogen door een religieuze
charlatan? Hebben ze hun hoop op een betere toekomst
geprojecteerd op een charmante bedrieger die ervan genoot mensen
onder zijn invloed te krijgen? Nee, deze typeringen kwamen van
de tegenstanders van Jezus. Zij hebben zelf ervaren hoe hun
leven in een stroomversnelling raakte toen ze geroepen werden
door die charismatische leraar Jezus van Nazareth. Ze gingen met
hem mee op weg en leerden het geheim kennen van Gods
aanwezigheid onder ons mensen. Dat geheim was al in de wet en in
de profeten onder woorden gebracht. We lazen die mooie tekst uit
Jesaja. Maar Jezus wijdde hen in, legde de wet en de profeten
uit, en leefde zelf vanuit dat geheim. Jezus leerde zijn
vrienden wat het betekent als er staat geschreven: "Ik zal er
zijn". Hij kon lyrisch vertellen over de woorden uit Jesaja "Ik
heb je bij je naam geroepen." Hij was Gods levende gestalte met
een naam en een gezicht. Die ervaring, dat God onder hen
aanwezig was, door die mens met een naam als een vis, was zo
sterk dat ze alles opzij hebben gezet om hem te volgen naar
Jeruzalem. Zij waren ervan overtuigd dat nu het Rijk van recht
en vrede zou aanbreken, het Messiaanse Rijk. Maar wat een
bizarre toestand werd het. Jezus werd gevangen genomen, vals
beschuldigd en door toedoen van een opgehitste menigte en bange
bestuurders gekruisigd. De vrienden dropen teleurgesteld af naar Galilea. Niks geen
Paasjubel, dat komt pas veel later. Desillusie, teleurstelling.
Het gewone leven weer proberen op te pakken. Ik ga vissen zegt
Petrus. Wij ook, zeggen de anderen. Maar het lukt niet. Hoe
herkenbaar. Als je leven op z'n kop staat, als je meegesleurd
wordt in die draaikolk van verdriet, in die mallemolen van
emoties, dan komt er niets meer uit je handen. Het net blijft
leeg. Zij gingen met de moed der wanhoop op weg, gingen aan
boord, maar die nacht vingen zij niets. Dat lege net verbeeldt
de onvervuldheid van het leven dat een geheel andere wending
neemt dan je had gehoopt of gedacht. Als ons verlangen naar
heelheid en recht en vrede niet wordt vervuld, kan zich in ons
binnenste een diep verdriet nestelen. In hulpverlenerjargon
zeggen we tegen elkaar dat je verdriet "een plekje moet geven".
Maar aan verdriet kun je niets doen. Er bestaat geen handeling
die je verdriet doet verdwijnen. Die leerlingen kunnen er ook
niets aan doen. Hoe ze ook geloven, hopen, liefhebben, ze zijn
hun vriend en meester kwijt. Hun levensdroom ligt aan scherven.
We kunnen ons zelf voorhouden dat we er vast beter uit zullen
komen, dat we ervan moeten leren of dat we zullen helen, maar
dat is nu nog niet. Nu is ons vissen in de nacht een hulpeloze
vertoning met alleen een leeg net als resultaat. Dat lege net, dat deprimerende symbool van onze stukgeslagen
dromen, dat net verwijst ook naar de oerervaring dat ons bestaan
uit zichzelf onvoldoende vervuld is. De heelheid, waarnaar wij
zo hartstochtelijk kunnen verlangen, kunnen wij ons zelf niet
geven. Hier eindigt therapie en begint de zoektocht naar een
alternatief. Naar een signaal uit een andere laag van ons
bestaan. Naarmate wij ons eigen verdriet en de onvervuldheid van
ons bestaan beter beseffen en leren aanvaarden, kunnen wij ook
meer openstaan voor geluiden die vanuit die andere laag op ons
toe komen. Signalen van God. Wat zijn dan die signalen? Jesaja
schrijft het zo: Ik kondig aan, red, laat van mij horen. Volgens
het Johannesevangelie gaat het verhaal dat Jezus aan de oever
stond. Die signalen, die je als een stem in de stilte van je ziel
kunt waarnemen, roepen op tot actie. Gooi het net aan stuurboord
uit, dan lukt het wel.’ Waarin verschilt dit signaal van al die
goed bedoelde adviezen die je krijgt als er iets vreselijks is
gebeurd in je leven. “Je moet je leven weer oppakken hoor”. “Ga
er eens uit met vrienden dat zal je goed doen”. “Je moet gewoon
stoppen met piekeren, denk liever aan vrolijke dingen”. Die stem
zegt iets anders. Als je je diepste verdriet hebt gevoeld heb je
de neiging om het bijltje erbij neer te gooien, want dat net
blijft maar leeg. Je kunt het gevoel krijgen dat het geen zin
meer heeft om je verlangen nog ergens op te richten. De stem
roept op om door te gaan. Blijf je leven leven, maar gooi het
over een andere boeg. Houd vast aan je verlangen naar heelheid,
juist als je daar de zin niet meer van inziet. Blijf zoeken naar
volkomenheid. Blijf zoeken naar die God die heeft gezegd “Ik zal
er zijn”, want die God is ook op zoek naar jou. Het activeren van je eigen verlangen is eigenlijk je opnieuw
openstellen voor het heilige in ons alledaagse leven. Dat
openstellen wordt in het verhaal prachtig uitgebeeld door het
net dat barstensvol is, maar niet scheurt. Dat volle net
verwijst naar de rijkdom van je innerlijk dat vrijkomt als je je
kunt of durft toe te vertrouwen aan dat wat is. Een rijkdom die
aanwezig is vlak naast de leegte van het verdriet. Dat zijn de
momenten waarvan mensen achteraf vertellen dat ze de hand van
God in hun leven hebben ervaren. Dat ze werden opgetild. Dat ze
even in het licht mochten zijn. Dat ze in een fractie van een
seconde, heel even, zeker wisten: “Het is de Heer”. In het
verhaal is dat het moment dat de leerlingen ervaren dat ze
ondanks de gruwelijke marteldood van hun vriend en meester en
hun diepe verdriet hierover, niet waren afgesloten van hun
verlangen. Dat verlangen naar heelheid, naar dat Messiaanse
Rijk, dat Jezus tijdens zijn leven bij hen had gewekt, dat
verlangen bleef ook na zijn dood in hen leven. De leerlingen en
na hen de eerste christengemeenten, hadden begrepen wat Jezus
hen had voorgeleefd. Zij hadden begrepen dat zij bij elkaar het
verlangen levend moesten houden. Dat deden ze door elkaar
verhalen te vertellen, door met elkaar te zingen, en vooral door
met elkaar de maaltijd te vieren, want daar geeft Jezus
zichzelf. In de maaltijd is het verlangen dat hij heeft gewekt,
aanwezig. In het evangelieverhaal wordt dat in een enkele
pennenstreek geschreven: Jezus nam het brood en gaf hun ervan,
en hij gaf hun ook vis. Ook vandaag komen wij nog steeds bij elkaar als leerlingen
die hun verlangen niet kunnen onderdrukken. In de liturgie
stellen wij God present in ons midden, en wij proberen met ons
diaconaat duidelijk te maken dat de wereld met al haar noden
niet van God los is. In de Jeruzalemse Talmud staat dat wie een
woord spreekt in de naam van de oorspronkelijke spreker, zich
voor moet stellen dat die spreker voor hem staat. Zo kunnen wij
de verschijningsverhalen van Jezus opvatten. In ons spreken over
Jezus en wat hij ons heeft voorgeleefd, stellen wij hem
aanwezig. Verschijnt hij aan de oever, waar wij grond onder onze
voeten krijgen. Amen
|