Terug naar Overzicht Preken

Preek

zondag 20 april 2008


Voorganger ds. H. van den Berg

Lezingen:

Deut 1, 29-33
Joh 14, 1-12

Preek

De Joodse godsdienst filosoof Abraham Heschel heeft eens geschreven: De roep om eeuwig leven na de dood is zinloos als er geen roep is om eeuwig leven voor de dood. Ik denk dat deze woorden heel kernachtig aangeven waar het in het evangelie van Johannes over gaat. Wie de schrijver is van dit boekje, geschreven rond de eerste eeuwwisseling, weten we niet. Voor het gemak blijven we hem (of haar?) Johannes noemen. Wat we wel weten is de uitgesproken visie van deze auteur op Jezus van Nazareth. Voor Johannes is Jezus rechtstreeks afkomstig van God. God is door Jezus aanwezig bij ons mensen, op dezelfde manier waarop God aanwezig was via de tabernakel onder het volk in de woestijn. Na zijn lijden en dood is Jezus weer teruggekeerd vanwaar hij gekomen was, naar God. Door dit afdalen naar ons en weer opstijgen naar God heeft Jezus voor alle mensen een weg gebaand naar God. Wie Jezus volgt op die weg leeft in een andere kwaliteit. Die heeft het eeuwige leven. In het licht. Eeuwigheids leven, schrijft de Naardense vertaling. Zo is ook mogelijk die weg af te wijzen. Wie dat doet leeft in het oordeel. In het duister. Maar zowel eeuwig leven, als leven in het oordeel, is nu. Johannes is van mening dat de eindtijd gekomen is. Door de komst van Jezus is de beloofde redding van de wereld inderdaad gekomen. We hoeven voor deze redding dus niet meer te kijken over de horizon van de tijd. We hoeven onze eigen hoop niet meer te verplaatsen naar achter de horizon van het leven. Wie nu leeft leeft in eeuwigheid of in oordeel, in licht, of in duisternis.

Met deze uitgesproken mening, waardoor het evangelie van Johannes zo afwijkt van de andere drie, probeert deze schrijver een antwoord te formuleren op de vraag hoe je als geloofsgemeenschap in contact met God kunt blijven. De historische context is een Joodse gemeenschap die moet leven zonder tempel, die in 70 na chr. werd verwoest. Het hart van de Jodendom is verdwenen. Er is geen plek meer waar de offers worden gebracht en waar de grote feesten worden gevierd. De centrale rol van de tempel werd overgenomen door de synagoge. Daar kwam de gemeente bij elkaar. In die synagogen kreeg de farizeese stroming de overhand en zorgde er voor dat het Jodendom kon overleven. Maar de andere stromingen hadden daarin geen plaats. Zo ook de groep die Jezus van Nazareth als Messias vereerde. Zij werden geweerd uit de synagoge. Een dramatisch conflict dat rond het jaar 80 op een hoogtepunt was en tot de breuk leidde waarui de kerk ontstond. Voor Johannes is Jezus de nieuwe tempel. In hem heeft God zich aan de zijnen geopenbaard, maar, zo zegt hij telkens opnieuw, zij hebben hem niet erkend. Dat geeft aan hoe diep het conflict zit.

In het stukje dat we vanmorgen lezen zien we een mooi voorbeeld van de gedachtegang van Johannes. Het is een passage met twee beroemde teksten die op talloze wandtegeltjes, borduurlappen en ansichtkaarten zijn afgeschreven. De eerste gevleugelde woorden gaan over het huis van de Vader, waarin vele kamers zijn, volgens de Nieuwe Bijbelvertaling. Een soort spiritueel appartementencomplex. Veel mooier is natuurlijk de uitdrukking: in het huis mijns Vaders zijn vele woningen. In deze vorm vaak afgedrukt op rouwkaarten. Ik ben eens bij een sterfbed geroepen van een mevrouw die bij het naderen van de dood in grote paniek raakte. Zij vertelde me van haar grote angst dat zij straks in de hemel weer de mensen tegenkomen die haar het leven op aarde zo bitter hadden gemaakt. Ik voelde me zeer verlegen met haar verhaal, want ik heb zelf niet zo’n realistische voorstelling van het hiernamaals. Gelukkig schoten op dat moment de woorden van onze tekst door mijn hoofd. Ik zei aan deze mevrouw dat er waarschijnlijk in de hemel zoveel woningen waren om in te verblijven dat we andere bewoners niet hoefden te zien. Dat beeld gaf haar rust, maar ik voelde me erg ongemakkelijk, want het gaat bij Johannes juist over het hier-NU-maals. Johannes wil ons vertellen over eeuwig leven vóór we onze laatste adem uitblazen. In de joodse traditie maar ook in het Helleense en gnostieke gedachtegoed komt het beeld van het hiernamaals als huis voor. Het gaat dan over de verblijfplaatsen van de zielen die wachten op het laatste oordeel, of over lichtende woningen voor de zielen die hun weg naar het oorspronkelijke licht hebben gevonden.

Maar bij Johannes gaat hier niet om het leven na de dood. Het huis van de Vader duidt meer op de geestelijke leefgemeenschap van Vader en Zoon, van God en Jezus. In die geestelijke verbondenheid is ook plaats voor iedereen die de Zoon erkent als openbaring van de Vader. “Jullie zullen zijn waar ik ben. Jullie kennen de weg naar waar ik heen ga.” Voor de leerlingen gaat dat iets te snel. Thomas zegt: “wij weten niet eens waar u naar toe gaat, hoe zouden we de weg daarheen kunnen weten?” Jezus gaat helemaal niet in op deze vraag naar de bestemming, maar hij geeft aan hoe je er komt. “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Alweer zo’n tegeltjestekst. Klinkt ons wat evangelisch in de oren. Wij zijn meteen geneigd de vraag te stellen, wat is dan die weg, wat is de waarheid, wat is het leven. De vraag naar het wat brengt ons op het terrein van de levensbeschouwing. Op het gebied van de opvattingen. Ik hoor wel eens iemand zeggen: ik geloof wel dat er iets is. Terwijl hij of zij bedoelt: ik denk wel dat er iets is. Johannes wil ons geen opvattingen opdringen, maar een weg wijzen. Hij wil ons een andere vraag laten stellen. Wie is de weg, wie is de waarheid, wie is het leven. De vraag naar het wie voert ons naar het gebied van het geloof. Geloof is niet het beamen van opvattingen, zoals we ook kunnen lezen bij Klaas Hendrikse, maar is het gaan van een weg. Wie is de weg die naar het ware leven voert? Voor Johannes is dat duidelijk. Dat is Jezus, de opgestane, van wie we op kerstmorgen hebben gelezen: het woord is vlees geworden en het heeft onder ons zijn tent, zijn tabernakel, opgeslagen. Jezus is als de nieuwe tempel de vindplaats van God. Niet als opvatting, of dogma, maar als een weg om te gaan.

Bij het gaan van de weg is van belang onderscheid te maken tussen weten en kennen. Johannes drukt dat prachtig uit als hij Thomas laat zeggen dat hij niet weet waar de weg naar toe gaat. Dan laat hij Jezus als antwoord geven; als jullie mij kennen, kennen jullie de Vader. Weten heeft te maken met inzicht. Met wat is het. Kennen heeft te maken met relatie. Met wie is het. Weten is objectiviteit. Kennen is intimiteit. De innige relatie van God met de mens is geen exclusief privé-terrein voor de Vader en de Zoon, maar een gastenhuis voor ieder die er naar verlangt deel van uit te maken De weg die naar deze geestelijke leefgemeenschap voert is de weg van Jezus, de van geest vervulde mens, die ons Gods eeuwige liefde nabij brengt.

De roep om eeuwig leven na de dood is zinloos als er geen roep is om eeuwig leven voor de dood.

Amen

 

 

naar boven