|
Preek zondag 04 mei 2008
I Petrus 4:15-19 "God kennen" De Petrusbrief, waaruit wij lazen, veronderstelt dat de mens
lijdt: en wie lijden doen er goed aan om hun zielen toe te
vertrouwen aan God. Dat is een uitspraak die, dunkt me, nogal
wat vragen oproept. In de eerste plaats de vraag naar het lijden. Waaraan lijdt
een mens dan? Hoe ziet de schrijver van de Petrusbrief dat? Maar
ook de vraag naar de troost: wat schiet iemand ermee op, wanneer
hij zijn ziel toevertrouwt aan God? Ja: wat betekent dat
eigenlijk? Wat is dat - je ziel toevertrouwen aan God? Wat de vraag naar het lijden betreft: in de Petrusbrief gaat
het voornamelijk over het lijden omwille van het geloof. Degenen
die Christen zijn geworden liepen de kans te worden vervolgd. En
het zou wel eens moeilijk kunnen worden voor wie trouw wilde
blijven aan zijn keuze. En het laat zich denken dat men zich
daar zorgen over maakte. Wij leven in een vrij land: een land met godsdienstvrijheid.
En we worden hier niet vervolgd omwille van ons geloof. Toch
valt het ook vandaag de dag niet altijd gemakkelijk om trouw te
zijn aan de levenshouding, die het Christen-zijn veronderstelt.
Het geloof wordt aangevochten. De gelovige wordt geconfronteerd
met cynisme: geloof je nog? In 'iets' wellicht? Dan ben je een
ietsist. Maar wat stelt dat dan nog voor? Is dat niet een
restverschijnsel? En wat te denken van zo'n advies om je ziel
toe te vertrouwen aan 'een trouwe Schepper'? Wat is nou je ziel?
De mens heeft een hart, en een hoofd; heeft gevoel en verstand.
Maar een ziel? Is dat niet het spook in de machine, waarnaar al
zolang tevergeefs is gezocht? Natuurlijk zijn dit foute vragen. Vragen die thuis horen in
het taalveld van de wetenschap. Vragen die rijzen wanneer het
denken (cogito) het geloven (credo) verdringt, zoals dat in onze
cultuur sedert Descartes geleidelijk is gebeurd. Wie met zulke
vragen het geloof probeert door te lichten doet hetzelfde als
degene, die een ui afpelt in de veronderstelling uiteindelijk
het wezenlijke over te houden. Maar in plaats daarvan staat hij
uiteindelijk met lege handen. De rationele analyse doet het
geloof verdampen. En er blijft niets van over. Het geloof is van
een andere orde. Het geloof is niet iets van de 'mind'. Dit roept de vraag op, of er in een zo rationeel ingestelde
cultuur als de onze nog wel plaats is voor ècht doorleefd
geloof. Misschien zijn de antennes, die daarvoor nodig zijn, wel
onderontwikkeld. Soms lijkt het wel of mensen bij het ouder worden weer iets
terugkrijgen van een religieus vermogen. Er wordt wel eens
gezegd dat je, naarmate je ouder wordt, moet leren om de dingen
los te laten, om zo uiteindelijk vrede te kunnen vinden met de
eindigheid van het leven. Onthechten heet dat. Maar, zo vraag je
je dan af: wat moet je dan precies loslaten? Je verleden? De
herinnering aan de dierbare momenten? De dromen die je ooit had?
Of de voorstellingen die je je maakte van de werkelijkheid? Misschien gaat het wel niet zozeer om een loslaten, als wel
om een hervinden van een ander zicht: Oud worden is het eindelijk vermogen aldus de dichteres Ida Gerhardt. Misschien leren we door levenservaring - juist door terug te
kijken en het leven opnieuw te interpreteren - wel om het goede
te ontdekken: ook waar we dat destijds misschien niet zagen. Zo
ongeveer alles wat in onze cultuur van waarde heet lijkt - bij
het ouder worden - anders te zijn: omdat veel, waarvan we
dachten dat het van belang was, ons uiteindelijk geen houvast
biedt als het gaat om de vraag naar de zin en de vraag naar onze
bestemming. In de zogenoemde afscheidsrede van Jezus - die zo'n drie
hoofdstukken beslaat - vormt de verheldering achteraf een
belangrijk thema. De evangelist beschrijft de leerlingen van
Jezus als mensen die in alle staten van verwarring zijn: omdat
alles wat in de rede lag, toen ze ooit besloten om achter Jezus
aan te gaan, in duigen valt: op het moment dat Jezus hen laat
weten dat hij door één van hen zal worden verraden; en dat hij
een smartelijke dood zal sterven. Het is alsof gezegd wil zijn, dat we het in ons leven
dikwijls moeten hebben van die verheldering van ogen achteraf om
wat ooit verwarrend was een plaats te geven. We hebben daar,
denk ik, ook allemaal wel enige ervaring mee. "Ik kom in mijn
kamer en herinner me dat er hier verleden week nog een vriend
zat. Nu is hij er niet meer. Had ik toen een bepaald woord niet
uitgesproken, dan was alles nu nog goed geweest. Er valt nu
evenwel niets meer aan te doen, en er rest slechts spijt; of
afleiding die mij van mijn pijn kan verlossen". Zoiets kan ons
radeloos maken. Vaak overzie je op zo'n moment niet, wat je
ermee aanmoet. En krijg je pas achteraf oog voor de betekenis;
voor wat ook zo'n voorval met je kan doen. Hoe het je zicht kan
veranderen. Wat Johannes zijn lezers wil laten horen is dat Jezus
beschikt over een spiritualiteit - waar een mens doorgaans niet
over beschikt. Maar Jezus is volgens de evangelist dan ook een
bijzonder mens. Op grond daarvan kan Ronald Meester het boekje
dat hij schreef "voor niet-ongelovigen" als titel meegeven: "De
man die God kende". Johannes drukt zich nog anders uit: in het
eerste hoofdstuk van het evangelie lezen we dat Jezus is: de
eniggeboren God. Volgens Johannes manifesteert de God die mensen
doet leven zich zèlf in de gestalte van deze mens. Doorgaans leven wij vanuit de gedachte dat het leven verloopt
volgens een vast proces: geboren worden, opgroeien, bloeien,
afnemen en vergaan - terwijl door alles heen de eindigheid
doorklinkt. Rationeel gezien is dat ook reëel: "Bij ieder schepsel dat geboren wordt Zo is het toch ook? En hoe sterker het besef aanwezig is, dat
de dood als een verstekeling met ons meereist, hoe groter de
scepsis omtrent de grazige weiden, de koele wateren, en alle
andere mooie woorden over hemelse paradijzen. Als dat de
realiteit is, dan kan het toch niet anders of de mens moet wel
lijden aan dit bestaan - zoals de schrijver van de Petrusbrief
dan ook aangeeft? Daar stelt Johannes Jezus tegenover: de mens die de angst
voor de dood kon afleggen omdat hij volstrekt vertrouwen kon
stellen in het goede, dat uiteindelijk overwint. Jezus heeft,
aldus Johannes, die openheid van geest die nodig is om het leven
ècht te leven - onbezorgd. "Kijk naar de leliën op het veld...,
en naar de mussen en hoe zij nestelen." Zou dan niet ook de mens
mogen vertrouwen op de goedheid, die in alles verborgen ligt?
Wie zijn ziel bewaart in dit vertrouwen lijdt niet aan het
leven. Jezus was in de ogen van Johannes iemand die daaruit kon
leven - en zo ook zijn leven kon geven: omdat hij wist dat het
goed zou komen - met zijn leerlingen, en met de mensen die hem
terecht stelden, ja zelfs met degene die hem zou verraden. Om
dat vertrouwen gestalte te geven: dat was zijn reden van
bestaan. Zo liet hij de zijnen zien, wie de God was die hij zijn
Vader noemde. "Wie mij gezien heeft heeft God gezien." Misschien zouden we, als we ons ook iets van dit vertrouwen
eigen konden maken, het Thomas Merton kunnen nazeggen die bad:
AMEN.
|