|
Terug
naar Overzicht Preken
Preek
zondag 01 februari 2009
Voorganger
ds. H. van den Berg
Lezingen:Markus 1, 21-28
Gemeente,
We pakken de draad weer op van het evangelie zoals Markus het
verwoordt. Na de doop door Johannes wordt Jezus door de geest de
woestijn in gedreven. Vreemd eigenlijk. Heeft hij net een piekervaring
beleefd, een ervaring die heel zijn leven op zijn kop zet, en dan
verdwijnt hij in de wildernis. Als hij dan weer opduikt roept hij
Simon, Andreas, Jakobus en Johannes die hem volgen op weg naar
Kafarnaum. Daar bezoekt hij de synagoge en spreekt de mensen toe. Hij
spreekt de mensen toe met gezag. Met gezag van een profeet. Een mens
die zich geroepen weet door God, die vervuld is van heilige Geest, die
mens maakt iets los bij zijn gehoor. Theologen, schriftgeleerden hebben
daar geen last van. Jezus die spreekt met profetisch gezag, raakt de
mensen in hun ziel. En wie mensen in hun ziel raakt roept ook de
tegenstand op van de krachten die de ziel barricaderen. Een man, behept
met een onreine geest, begint te schreeuwen.
In de oudheid maakten geesten en demonen deel uit van het alledaagse
leven. De geesten hadden als taak de orde die de goden hadden
ingesteld, te handhaven. Voor beloningen waren de goede geesten
verantwoordelijk. Voor de straffen de kwelgeesten. Zo werd de orde van
de goden gereguleerd. Ook wij spreken nog steeds van beschermengelen en
kwelduivels. Buiten de ordening van de goden heerste de chaos. De chaos
was het domein van demonen. Vanuit die chaos konden demonen de ordening
binnenvallen en mensen aanvallen en bezet houden. In de hellenistische
tijd ontstond er een tweedeling in goed en kwaad. Aan de kant van het
goede stonden de goden met goede geesten of engelen. Aan de kant van
het kwaad stond de duivel met de kwade geesten of demonen. In het
Nieuwe Testament worden demonen ook onreine geesten genoemd. Deze
onreine geesten worden gezien als de veroorzakers van invaliditeit,
epilepsie, waanzin, en andere ziektes. Vooral ziektebeelden waarbij de
getroffen mens geen sturing meer heeft over zijn eigen leven.
Voor ons is dit geloof in demonen als oorzaak voor ziektes allang
achterhaald. Wij kennen door de ontwikkeling van de medische wetenschap
in detail de oorzaken van ziektes en kunnen zelfs tot op zekere hoogte
deze ziektes genezen. Wij kunnen er daarom als moderne mensen voor
kiezen om dit soort verhalen te zien als curiositeiten uit de antieke
wereld of heel dat gedoe met demonen af te doen als bijgeloof. Toch
denk ik dat het de moeite waard is nog eens goed te kijken met elkaar
wat daar nu precies gebeurt in die synagoge van Kafarnaum.
In het verhaal wordt niet gezegd dat de man in kwestie gek is, of boos,
of agressief, al gedraagt hij zich wel zo. Dat was het eerste wat mij
opviel bij het lezen. Er staat dat er in de synagoge een man was,
bezeten, of behept, met een onreine geest. Er is dus een onderscheid
tussen de mens en zijn gedrag. Deze mens heeft op dat moment geen
controle over zijn mond. Een andere kracht die kennelijk wel in hem is
en dus bij hoort, maar waar hij geen macht over heeft, schreeuwt door
zijn mond. Dat geschreeuw werd opgeroepen door de aanwezigheid van een
profetisch gezag. Het deed me denken aan een belevenis die Etty
Hillesum beschrijft in haar dagboek. Op 25 februari 1942 staat Etty te
midden van een groep Joden, in een lokaal van de Gestapo in Amsterdam.
De mensen in dat lokaal moeten één voor één naar voren komen en bij een
lessenaar vragen beantwoorden. De manier waarop Etty aanwezig is roept
een enorme agressie op bij de jonge Duitser die haar moet verhoren.
Etty Hillesum schrijft hierover:
“En dát was het historische van deze ochtend: niet dat ik door een
ongelukkige Gestapojongen werd aangeschreeuwd, maar dat ik oprecht niet
verontwaardigd was, maar een heus medelijden met hem had, dat ik hem
het liefst gevraagd zou hebben: heb je een ongelukkige jeugd gehad of
heeft je meisje je bedrogen. Hij zag gekweld en opgejaagd uit,
overigens ook heel onaangenaam en slap. Ik was het liefst direct met
een psychologische behandeling begonnen, me er zeer sterk van bewust
zijnde dat deze jongens beklagenswaardig zijn zolang ze geen kwaad
kunnen, maar levensgevaarlijk als ze op de mensheid losgelaten worden.
Misdadig is alleen het systeem dat deze kerels gebruikt. En wanneer men
het heeft over uitroeien, dan toch het kwaad in de mens, en niet de
mens.”
Daarover gaat het in het vervolg van dit verhaal. Over het wegjagen van
het kwaad, niet het wegjagen van de mens. Die beklagenswaardige mens,
die zijn mond moet lenen aan het geschreeuw van de onreine geest. “Wat
moet je Jezus van Nazareth. Je komt ons de ellende injagen. Ik ken jou
wel ik weet wie je bent, de heilige van God.” Het is de demon die
spreekt. Het is de demon die aanvoelt waar het Jezus van Nazareth om te
doen is. Jezus heeft in de woestijn met zijn eigen demonen gestreden.
Hij heeft zich bevrijd van zijn bezetters en nu kan hij anderen helpen
op de weg van bevrijding. De demon voelt de aanwezigheid van de mens
die spreekt met profetisch gezag en begint te schreeuwen. Misschien mag
je zeggen dat deze demon onder woorden brengt wat alle andere
aanwezigen diep van binnen voelen, maar waar ze zich nog bewust van
zijn. De aanwezigen reageren enthousiast op de woorden van Jezus, maar
diep van binnen groeit de afweer. Bekeer je want het Koninkrijk van God
is aangebroken. Geweldig, zegt onze keurige tong. Donder op, zegt ons
ongepolijste binnenste. Bekering is verandering. Bekering is licht
toelaten op de plekken waar het duister heerst. Geen wonder dat er een
afweer groeit waar we zelf nauwelijks weet van hebben. De demon onthult
in dit verhaal de mens die zichzelf niet kent. De beklagenswaardige- en
in sommige gevallen levensgevaarlijke- mens, die zijn eigen demon niet
herkent. De mens die verbaasd is over zich zelf, omdat hij vandaag
Hosanna! roept, en morgen Kruisigt hem!.
Mozes, Elia, Jezus, Paulus, St Anthonius, St Benedictus, zijn
verkeerden na het horen van Gods stem vele jaren in eenzaamheid om
zichzelf te leren kennen. Om hun eigen demonen op de vlucht te jagen.
De vraag is dan hoe kan ik mijn eigen demonen op de vlucht jagen. Ik
ben voor een antwoord te rade gegaan bij Anselm Grün, in zijn boek
Rituelen voor lichaam en ziel. Alle begin is moeilijk, zo ook hier. Het
begint met het inzicht dat ik demonen heb. Dat ik niet bang ben ze
onder ogen te komen. Mijn demon lijkt op vuil bezinksel dat vast is
gaan zitten, zoals aanslibsel in een sifon. Het water kan niet meer
doorstromen. Er ontstaat een verstopping. Die verstopping staat symbool
voor alles wat ik heb moeten slikken. Alles wat ik met me meesleep aan
oude ballast, oude gekwetstheden, oude pijn, oud verdriet. Het moet er
uit zodat het mij niet meer verlamt, zodat mijn levenstroom weer kan
door lopen. Jezus is niet zachtzinnig of beleeft tegen demonen. Hij
spreekt ze bestraffend toe: wegwezen, jij hoort hier niet! Zo moet ik
ook doen. Ik moet een stevige schoonmaak houden. Een zuivering van mijn
ziel is nodig. Er zijn drie vormen van zuivering, waar ik kort iets
over zal zeggen.
Allereerst moet ik mijn relatie met God zuiveren. Deze actie vraagt om
permanente aandacht. Steeds weer moet ik mij afvragen wat ik heb met
God. Is God wellicht het verlengstuk van mijn verlangen? Is God
misschien de bevestiging van mijn negatieve of positieve zelfbeeld? Die
verborgen agenda kan ik een demon noemen. Die kan ik wegsturen door
iedere dag opnieuw die onzuivere elementen in mijn relatie met God
onder ogen te zien, in gebed of meditatie. Daardoor wordt de relatie
gezuiverd. Voor Gods aangezicht mag ik zijn wie ik ben, zonder dat ik
me groot hoef te houden, zonder dat ik me hoef te bewijzen.
Ten tweede de zuivering van de relatie met mijzelf. Ik moet afscheid
van de illusies die ik over mij zelf heb gemaakt, want die illusies zou
ik ook een demon kunnen noemen. Ik ben een gewoon sterfelijk mens.
Broos en kwetsbaar. Niets bijzonders. Wat anderen overkomt kan mij net
zo goed overkomen. De meeste woede en agressie tegen mijzelf ontstaat
als ik zie dat ik niet samenval met mijn illusies. Weg er mee. Ik mag
iedere dag opnieuw mijzelf onder ogen komen, zonder angst, zonder
schuldgevoel, zonder schaamte over wie ik ben.
Ten slotte is het nodig dat ik mijn relatie met anderen zuiver. Ik merk
dagelijks dat een ander niet objectief kan zien. Wat bij een ander zie
is voor een groot deel een projectie van mij zelf. Mijn eigen emoties
kleuren indruk die anderen op mij maken en daardoor de reactie die ik
aan anderen teruggeef. De relatie met de ander kan gezuiverd worden als
ik eerlijk ben over wat mij spijt.
Als we zo bewust proberen om te gaan met God, onszelf en de ander, zijn
we actief bezig de onzuiverheden die onze relaties vertroebelen op te
ruimen. Dan kan het weer gaan stromen in ons en tussen ons. Dan kan ik
weer ademen. Dan kan ik een huis zijn waar God kan wonen.
Voor mensen die naamloos
kwetsbaar en weerloos
door het leven gaan
ontwaakt hier nieuw leven
wordt kracht gegeven:
wij krijgen een naam.
(Tussentijds 168 vs 1)
Amen
naar boven
|