|
Terug
naar Overzicht Preken
Preek
zondag 15 maart 2009
Voorganger
ds. H. van den Berg
Inkeer
Iemand heeft je ooit gewild, daaruit
leid ik af dat wij Jou mogen willen.
Al zouden we alle diepten ontkennen
als een gebergte goud bevat
en niemand er meer naar graaft
brengt de rivier het aan de dag,
die in het stil gesteente grijpt.,
het rijke.
Ook als wij niet willen:
God rijpt.
(Uit: Rainer Maria Rilke, Das Stundenbuch, vertaling Henk van den Berg)
Gemeente,
Wat doe ik met de grilligheid van mijn leven? Is er iets of iemand die
mij stuurt of leiding geeft? Is er iets of iemand dat mijn lot bepaalt?
Heb ik zelf invloed op de dingen die mij overkomen? Is er een orde
waarbinnen alle grilligheid zich afspeelt? Ik zou zo graag willen weten
hoe het in elkaar zit. Wat is het alomvattend systeem waarbinnen wij
leven? Waarom zijn de bergen zo hoog?Waarom zijn de zeeën zo diep?
Waarom gaan de wolken zo snel? Waarom zijn de mensen zo moe? Misschien
door hun jachten en jagen maar wellicht nog meer door hun tienduizend
vragen.
Waarom al die vragen? Wij willen graag de wetmatigheden op het spoor
komen van de gebeurtenissen in ons leven. Al eeuwen lang houd die
zoektocht ons mensen bezig. Wat is het systeem achter alle grilligheid?
Al lang geleden ontstond in Israël de gedachte dat er een verband is
tussen ons gedrag en wat ons overkomt. Er ontwikkelde zich een idee van
een morele wetmatigheid. Heel kort gezegd: Wat een mens overkomt is
zijn verdiende loon. Goede mensen gaat het goed, slechte mensen gaat
het slecht. En God? God staat als vanzelfsprekend aan de kant van de
goede mensen.
Er was eens een dichter die in opstand kwam tegen deze vermeende
wetmatigheid. Wij weten niet wie hij was, maar zijn werk kennen we wel.
We lezen er deze zondagen uit. Deze brutale dichter durft als een echte
wijze het algemeen geldende idee van die morele wetmatigheid ter
discussie te stellen. Hij durft door te vragen naar de zin en samenhang
van de dingen. Hij durft de stelling aan dat er niet altijd een verband
is tussen ons lot en ons gedrag. Er bestaat ook onverdiend lijden. Dat
idee wordt het thema van een reeks gedichten die wij nu lezen als het
boek Job.
De vrienden van Job zijn hier de vertegenwoordigers van het systeem.
Van de wetmatigheid van oorzaak en gevolg. Zij geven Jobs lijden een
plek in het systeem. Hij moet maar buigen voor God en zijn schuld
belijden. Maar Job houdt vol dat hij geen schuld heeft. Hij blijft
zoeken naar de zin van zijn onverdiende leed. Hij vecht zich door de
taaie argumenten van zijn vrienden. Het lijkt eindeloos. Hoe verder hij
zoekt, hoe meer hij met lege handen komt te staan. Dan lijkt het alsof
er in hoofdstuk 28 een adempauze wordt ingelast. De acteurs mogen even
van het toneel en een zanger verzorgt het pauzenummer. Die zanger zingt
over de wijsheid, die geen mens ter beschikking heeft. De vrienden
niet, die Job op de huid zitten met hun strenge systeem. Maar ook Job
niet, die uit het systeem wil breken en uit pure wanhoop God ter
verantwoording wil roepen. Job is met al zijn vasthoudenheid steeds
verder afgedwaald van het bekende terrein van het weten en terecht
gekomen in het onbekende gebied van het niet-weten.
Op dat moment richt de zanger zich tot ons, het door de lange dialogen
murw gebeukte publiek. Hij zingt zijn balade van de wijsheid. De zanger
bezingt de wijsheid, niet de wetmatigheid. Hij bezingt het inzicht,
niet de kennis. Het lijden dat ons treft doorbreekt alle wetmatigheid.
Ons lot onttrekt zich aan onze kennis. Er is veel dat we wel weten. Wij
kunnen ook heel veel. We weten dat er een plaats is waar zilver wordt
gewonnen, een plaats waar goud gewassen wordt. We kunnen ijzer uit de
aarde opdelven en koper uit erts smelten. We dringen door tot in het
binnenste van de aarde, en het gesteente in de diepst verborgen
donkerte kent geen geheim voor ons. Wij weten dat het brood komt van
opschietend graan uit de aarde. Wij kennen de rijkdommen en bronnen die
diep daaronder liggen. Onze kennis is macht. Wij splijten de rotsen en
dammen de stromen af. Wij kunnen wat de krachtigste dieren niet kunnen.
Maar ondanks al die kennis en kunde blijft er één vraag onbeantwoord:
de wijsheid-waar moet je haar zoeken, en het inzicht-waar is het te
vinden? Geen sterveling kent de weg erheen, de wijsheid is niet in het
land der levenden. Alles wat we kunnen zien, wat we kunnen meten, wat
we kunnen tellen, wijst van zich af. Hier is het niet. De wijsheid is
ergens anders. Onze fijnste elektronenmicroscoop, onze meest
geavanceerd deeltjesversneller, de camera’s met de hoogste resolutie,
zij brengen ons niet dichter bij het wezenlijkste dat ons bestaan
grondt. Terwijl dat wezenlijkste zo kostbaar is. Kostbaarder dan alle
waarde die in materie uitgedrukt kan worden.
Maar van waar stamt de wijsheid dan, en het inzicht-waar is het te
vinden? Voor de levenden is zij niet te vinden. Alleen de afgrond en de
dood hebben bij gerucht van haar vernomen. Crisis en lijden lijken een
aanwijzing te kunnen geven waar je wijsheid moet zoeken. Ontlediging
brengt je op het spoor van het inzicht. Het gedwongen verlies van je
ik, brengt je aan de grens, waar de zinloosheid van dit leven zich aan
je ontvouwt. De grens waarachter zich een zin, een wijsheid, een
inzicht laat vermoeden. De grens waarachter zich een God laat vermoeden.
Job heeft die grens bereikt. Job accepteert niet dat, wat er met hem
gebeurt, onderdeel is van een blind systeem. Hij berust in zijn lot
door de erkenning van de wijsheid die voor de mens onbereikbaar is. Hij
durft het aan in het niet-weten te staan. Hij durft het aan te stoppen
met systemen bouwen. Hij wil niet langer kennis verzamelen over iets
dat buiten zijn bereik ligt. Hij doet afstand van zijn kennis van God
en neemt het risico dat er geen God is. In tegenstelling tot zijn
vrouw, die zei: zeg God vaarwel en sterf, zegt Job zijn beeld van God
vaarwel om te leven. Om bij het wezenlijkste te komen van het leven.
In de veertiende eeuw verscheen een boekje met de intrigerende titel De
wolk van niet-weten. Het is geschreven door een onbekende Engelse
auteur, voor een 24-jarige kloosterling. In zijn inleiding schrijft de
auteur dat de hoogste vorm van omgaan met God niet is weggelegd voor
modieuze spirituelen of voor nieuwsgierige intellectuelen. Hij zegt dat
het werkelijk kennen van God is als het binnengaan van een wolk van
niet-weten. Het verstand, het gevoel en de verbeeldingskracht zijn niet
geschikt om God te ontvangen. Als je open wilt staan voor God moeten al
je menselijke vermogens verduisterd worden. Op dat punt is Job
aangeland. Zijn vermogens zijn verduisterd. Het is dus niet vreemd dat
God aan hem verschijnt in een onweer.
In de wolk van niet weten verdwijnt het fijne religieuze gevoel, een
inspirerende gedachte, troost, zekerheid, kennis of inzicht over God.
Het gaat om het zoeken van God om geen andere reden dan God zelf.
Zonder bijmotieven. Zo staat Job uiteindelijk voor God, niet in een
valse bescheidenheid maar in ware nederigheid.
Hij graaft niet langer meer, maar niet omdat de berg geen goud bevat.
Hij erkent dat hij er niet bij kan. In dat laten van Job voltrekt zich
dan een beweging buiten hem om. Datgene wat zo nadrukkelijk afwezig
was, manifesteert zich. In het niet-weten openbaart zich een glimp van
de wijsheid. Dat inzicht is onbereikbaar voor het verstand, maar niet
voor de de liefde. Alleen door de liefde kan het onbereikbare begrepen
worden.
Ik kan dus niet anders dan roepen: heb mij lief.
naar boven
|