|
Terug
naar Overzicht Preken
Preek
zondag 15 november 2009
Voorganger
ds. H.J.J. van Waveren
Aanroeping en inkeer
met o.a. zingen van Tussentijds 56, 1-5
Horen en verstaan
Inleiding
Zoals altijd alle groten der aarde
had ook koning Nebukadnesar van Baylon zijn nachtmerries.
Over een beeld had hij gedroomd,
over een beeld met een hoofd van goud, borst en armen van zilver,
buik en lendenen van koper,
benen van ijzer en voeten half van ijzer en half van leem.
Een angstige droom dus over de kwetsbaarheid van zijn macht.
Daarvoor hoef je geen groot psycholoog te zijn.
Maar misschien wel een beetje een held om
de koning recht in zijn gezicht te zeggen
wat iedereen op zijn klompen aanvoelt.
En dat waren zijn adviseurs blijkbaar niet: heldhaftig.
Maar de jood Daniel wel.
En die wordt daarvoor tot afgrijzen en afgunst van diezelfde adviseurs
rijkelijk beloond met het gouverneurschap van Babylon.
En drie van zijn vrienden Sadrach, Mesach en Abednego
worden belast met het bestuur van de provincie Babel.
Veel heeft de koning er trouwens niet van geleerd.
Want ook nog steeds blijft hij vasthouden aan zijn droom
in de veronderstelling dat als hij nu maar voor puur goud kiest
de bedreiging van zijn macht wel bezworen zal zijn.
Hoort u maar:
Daniel 3 en
zingen: Tussentijds 55
Marcus 12, 28-34 &
zingen: Tussentijds 48
preek
Bij het meer van Galilea staan twee joden die naar de overkant willen.
Een niet-joodse visser is wel bereid hen voor 50 piaster over te
zetten.
De beiden joden zijn woest over die afzetterij:
ben je nou helemaal gek?
Ik kan wel zien (zegt de visser) dat jullie niet weten dat hier Jezus
over het water gewandeld heeft.
Waarop een van die joden antwoordt na, geen wonder met zulke prijzen.
Het mag een mopje zijn, maar het is ook precies wat je verwachten kunt
wanneer verhalen die bedoeld waren om kracht uit te putten,
wanneer geloofsverhalen verworden zijn tot mirakelverhalen om er munt
uit te slaan.
Daarom zijn we voor zulke verhalen een beetje kopschuw geworden en
luisteren we liever
naar de aansporing van het evangelie om bergen te verzetten:
bergen van ellende, verdriet en geweld.
Daar hebben we onze handen al meer dan vol aan.
Maar.... gemeente, dat was natuurlijk ook precies de reden waarom die
wonderverhalen ooit verteld werden.
Juist omdat we onze handen daaraan zo vol hebben,
juist omdát we ons daaraan voortdurend dreigen te vertillen,
juist omdat we voortdurend verleid worden het bijltje er maar bij neer
te gooien,
juist dáárom zijn die verhalen er en willen ze ons in alle toonaarden
vertellen
dat het ondenkbare te doen is.
Ze vormen a.h.w. de melodie op de nuchtere tekst.
Niet de sensatie wil in die verhalen aan de macht zijn maar de
bevrijdingsfantasie en de verbeeldingskracht.
Daarom
wil ik vandaag graag met u nadenken, gemeente,
over die vierde man uit ons verhaal,
over die geheimzinnige vreemdeling in het vuur van de beproeving, die
vierde door wie het vuur geen kwaad kan,
die engel, neergedaald uit den hoge:
‘waar twee of drie tezamen zijn in Mijn naam,
daar ben Ik de vierde, daar ben Ik in hun midden.”
Een
sprookjesachtig verhaal, met een happy end:
hun haar was niet geschroeid, hun mantels waren niet verbrand,
ja, er was zelfs geen vleugje reuk van vuur te ruiken.
Een mooi verhaal, wij kennen het nog van de kinderkerk,
maar wat moeten we ermee?
Want wij hebben inmiddels allemaal ontdekt dat het leven zo
sprookjesachtig niet is.
Er zitten hier genoeg mensen die wel iets weten van een vurige oven
en hoe je leven plotseling in een crisis kan raken waarin de hel
losbarst
en het vuur zevenmaal heter gestookt wordt dan gewoonlijk. Sommigen
zullen dit verhaal als troostend ervaren,
ze herkennen er waarachtig iets uit hun eigen leven in,
maar bij anderen wekt het slechts bitterheid,
want ze weten van zichzelf of van een mens vlakbij dat je in het vuur
van de beproeving ook kunt wegteren, dat je je niet staande kunt houden
maar uitbrandt tot een zielig hoopje as.
En God?
Die is er niet, die laat je alléén in de verzengende hitte,
in de ervaring van godverlatenheid.
Voor jou geen geheimzinnige vreemdeling die mèt jou dóór het vuur gaat!
En wat moet je dan met dit verhaal?
De koning heeft een beeld gemaakt.
Zo even droomde hij er nog van,
een beeld met gouden hoofd maar met lemen voeten,
dus dat zaakje viel in duigen.
Maar dat droombeeld is verleden tijd.
Het is nu tijd om een duurzaam beeld op te richten,
niet alleen met gouden hoofd, ook met gouden voeten:
één en al goud wat er blinkt,
de staat wordt vergoddelijkt en iedereen moet knielen en wee de
ongelovigen.
Naast de troon wordt het altaar opgericht en naast het altaar een oven,
want die hoort hier ook bij, want wie niet wil wat de koning wil
…….
En daarmee wordt ook de angst opgericht en de kadaverdiscipline en de
geheime politie.
Een oud verhaal, maar wel een stuk dat nog steeds vertoond wordt ....
tot op de huidige dag:
mèt alle generaals, politiefunctionarissen, ministers, psychiaters
economen en p.r.-mensen,
die eeuwige bobo-winkel met petten en pluimen
en met alle toeters en bellen van hoorns, cithers, harpen,
doedelzakken, trommels en trompetten,
en het schalt over Babylon en de Potzdammer Platz,
over de Champs Elysées, het Rode Plein
en de pleinen van Teheran en Bagdad,
en alle volken, stammen en tongen knielen.
Tout le monde valt in aanbidding neer, iedereen door de knieën,
want blijf dáár maar eens staande bij.
Ook als je het niet echt gelooft kun je toch maar beter mee doen
en het laten gebeuren, als je leven je lief is.
Sadrach,
Mesach en Abed Nego.
Hun leven is hun lief maar niet ten koste van alles.
Er zijn grenzen waar je ook tirannen niet overheen mag laten gaan.
wil je nog enige vrede met jezelf, wil je nog enig zelfrespect,
wil je nog enig geloof in de mensheid kunnen bewaren.
Drie messiaanse mannetjes blijven staande,
wonderbaarlijk vrij temidden van alle terreur.
Want een muzikale orgie zweept het volk tot enthousiasme op:
één oorverdovende roep klinkt op uit duizend kelen,
er zit een geraffineerd doordachte regie achter.
De roes van de macht heeft allen in zijn ban.
Ja, behalve dan die drie ballingen uit het verre Jeruzalem,
die thuis geleerd hebben dat er maar één God is,
een God die niet in een beeld te vangen is.
En alleen door die God te dienen dien je de mensen,
iedere afgodendienst brengt de ware menselijkheid om zeep:
tien tegen een dat de armen moeten bloeden voor het goud
dat de koning verkwist.
Drie kleine Messianen kunnen eenvoudig niet knielen.
Zij zijn besneden, getekenden Gods.
Een mens kan er immers nooit zomaar op los leven en dat besef snijdt
erin.
Potentaten met hun ongebreidelde potentie zaaien dood in plaats van
leven,
zij verstikken de ware humaniteit.
En dat is nu net waar ze voor willen staan, en welbeschouwd
bewijzen zij daarmee zelfs de koning en de volken een weldaad.
Maar de volken zijn verblind
en de koning leeft als God in Babylon,
de God van Jeruzalem kan hij daarbij niet gebruiken,
de messiaanse mannen die hem representeren
moeten daarom van het toneel verdwijnen.
Wie niet horen wil moet voelen,
wie er niet ín wil geloven moet er áán geloven.
Waarom knielen ze niet?
Zal hij nog een keer de muziek aanzetten, krijgen ze nog één kans
maar nog voor hij de muzikanten opdracht heeft kunnen geven,
klinkt zelfverzekerd, rustig, ja, zelfs een tikkeltje hautain:
“Vindt u het nodig, o koning,
dat wij daarop antwoorden?
Wij hebben geleerd dat er maar
één God is
die het waard is God genoemd te
worden,
die God alleen willen wij
dienen,
en die God is bij machte ons
uit uw hand te verlossen.
En ook al
zou die dat niet doen,
dan nóg
zullen wij uw beeld niet aanbidden.”
Ja vooral dat slot is van allure, gemeente:
een zeldzame combinatie van Godsvertrouwen en zelfvertrouwen:
wij vertrouwen op Gods reddende hand,
maar ook als God het laat afweten,
is dat voor ons nóg geen reden
om af te wijken van wat wij zijn gaan zien als het hoogste en edelste
wat onder stervelingen bedacht is -kome wat komt.
Wij kiezen ervoor tot onze laatste snik in stijl te leven
en wij zijn zelfs bereid daarvoor te sterven.
En, gemeente,
daarmee dóet de afloop er eigenlijk al niet zoveel meer toe.
Ach, het is natuurlijk heerlijk
als een mens als door een wonder aan de marteldood ontsnapt,
maar voor het geloof,
voor geloof van allure maakt het zoveel niet uit:
“in uw handen beveel ik mijn
geest.”
Met die woorden
is eeuwen later een ander het vuur in gegaan
om in de stijl waarin hij geleefd had .... ook te sterven.
En ook zijn geloof ging het vuur in.
“Nou, laat God hem dan nu
verlossen,
daar heeft hij toch
altijd zo op vertrouwd, op God...”
Maar Jezus zei: “Ook indien niet...
Vader, in uw handen...”
De dood is een alles en allen verterend vuur.
Maar geloof ziet nog iets anders.... bijna niet te geloven:
is daar niet nog iemand in de
oven: een gestalte Gods?
Gemeente, ik heb nog nooit een engel gezien
maar wel mensen met geloof mensen “in het vuur”
om het met Daniel 3 te zeggen,
maar hun haar was niet verschroeid,
brandlucht was aan hen niet te bekennen,
en als ik dan moest bidden,
dan stamelde ik altijd iets van
“waar twee of drie tezamen zijn in uw naam, daar zijt gij ook”,
want dat was dan waar, dat was dan duidelijk te zien.
En dan zing je graag in allerlei versies en toonaarden
zo’n lied mee als dat van de drie jongens in de vuuroven,
waarin net als in de psalmen
de hele schepping opgeroepen wordt om God te loven:
Vogels, vissen ,wild en vee,
dieren hoog en laag doe mee.
want in ‘t dodelijke uur gaat
Hij voor ons door ’t vuur.
Want door je te voegen in zo’n kosmische hymne,
in zo’n lied van de hele schepping
kun je misschien ervaren dat God liefhebben
met heel je hart, met heel je ziel en al je krachten
niet allereerst een morele prestatie is
of het volgen van een opdracht van buitenaf
maar een gehoor geven aan je eigen diepste zelf.
Zoals de zwaluw al een paar weken na zijn geboorte
met schijnbaar ongelooflijke moed
zich aan de onzichtbare draagkracht van de lucht toevertrouwt
(misschien een beetje omdat zijn ouders het hem voordoen
en hem het nest uitwippen maar toch vooral ook instinctief),
zo worden ook wij geroepen de mens te worden die we al zijn.
God liefhebben en God loven is
om zo te zeggen geen externe opdracht,
geen opdracht die van buiten komt
maar een uitnodiging
om ons juist niet van buitenaf te laten verhinderen te zijn wie wij
zijn.
Vandaar al die geloofsverhalen
over het afschudden van ketenen die ons binden,
over het verlaten van het luxe thuis dat ons verlamt,
over bevrijding uit slavernij
en uit alles wat ons verhindert te worden wie we zijn.
Geen grotere opgave is ons gegeven.
Nooit zullen wij God beter dienen
dan door te worden wie we zijn.
Als we dat durven, dan zullen er ook melodieën blijken te zijn
en woorden en beelden en liederen,
die uitsluitend in jou, in jouw ziel sluimeren
en die jij alleen tot klinken kunt brengen.
Daartoe bestaan wij om die rijkdom in onszelf te ontdekken,
te ontplooien en met elkaar te delen.
Met heel ons hart, met heel onze ziel en al onze krachten.
Zoals de zwaluw naar zijn aard zich niet verhinderen laat
om in de zomer almaar tussen de overstekken heen en
weer te vliegen en in september het zuiden te zoeken,
zo zal geen macht ter wereld ooit
ons verlangen naar Gods oneindigheid kunnen verhinderen Godskennis en
zelfkennis,
God lief hebben en trouw zijn aan je zelf zijn misschien niet identiek
maar hebben wel alles met elkaar te maken.
Natuurlijk: een mensenleven bestaat uit compromissen,
dat is niet anders en dat hindert ook niet.
Maar er zijn wel grenzen waar je niet over heen wilt
omdat daar trouw aan je zelf en trouw aan God samenvallen.
Daar kan geen grote of kleine machthebber tussen komen
met wetten die noch in je eigen noch in Gods hart geschreven staan.
Dat begrepen Daniel en zijn vrienden,
die hun volk niet in de steek wilden laten,
dat begreep bv. ook Martin Luther King
toen hij eens preken wilde over het evangelie van vandaag,
over het grote gebod
voor zijn zwarte mensen in Alabama,
mensen die bijna alles wat je bedenken kunt was aangedaan
om hun vooruitgang te verhinderen,
om hun goede naam en hun waardigheid te beschadigen,
om hun het uitzicht op geluk te ontnemen
en om hun gezondheid te verwoesten.
En hij deed het als of hij ieder van hen persoonlijk aansprak.
Misschien, zei hij, heb je
nooit een school kunnen bezoeken,
misschien heb je nooit schoenen
aan je voeten gehad,
misschien kun je je eigen
moedertaal niet eens goed spreken,
misschien ken je je eigen
moeder niet eens,
misschien heb je geen thuis en
verdien je geen inkomen,
misschien weet je zelfs niet
eens waar je vanavond zult slapen.
Maar na elke zin, na elke regel voegde MLK daaraan toe:
maar ik ben iemand, but 1
am somebody
Misschien heeft iemand je
verteld dat je maar een nikker bent
but l am somebody
En al na een paar zinnen werd die preek
wat eigenlijk elke preek wil worden: een lied,
een gezang waarin al die mensen met glanzende ogen
en wiegende bovenlichamen en klappende handen
na elke zin het refrein herhaalden:
but lam somebody - maar
ik ben iemand.
Mensen
laten zien en laten voelen, gemeente,
hoe zij vanuit God die in hen leeft
hun waardigheid hervinden kunnen,
dat nu betekent:
God liefhebben met heel je hart en je naaste als jezelf.
Toegegeven, dan weet je nog niet precies
wat er verder in detail allemaal gedaan moet worden.
Wij in onze cultuur leggen daar een sterke nadruk op:
op verantwoordelijk handelen,
op wat er allemaal gedaan moet worden voor anderen
en wat wij voor elkaar moeten doen.
Dat is de sterke kant van onze cultuur
maar misschien toch ook wel een beetje onze zwakte.
Want als je naastenliefde
vooral of zelfs uitsluitend verstaat als dingen doen voor een ander,
loop je gevaar die ander niet in maar uit te schakelen
door hem of haar tot lijdend voorwerp te maken van jouw zorg.
En hoe goed bedoeld ook,
soms kun je daarmee iemand bijna dood knuffelen.
Wanneer het je daarentegen lukt om woorden te vinden,
die zo resoneren als die van MLK in Alabama,
woorden die in iemand het besef
van eigen onvervangbare waarde en eigen onherleidbare schoonheid
wekken dan ben je, in de geest van het grote gebod,
hem of haar werkelijk tot naaste geworden.
Omgekeerd
kan het ook onszelf gebeuren
dat degenen met wie wij dagelijks omgaan
het beeld Gods in onze ziel eerder vertroebelen dan reinigen.
Maar zelfs dan blijft het verlangen smeulen
en is er soms niet zo heel veel voor nodig
om het weer naar boven te halen.
Van God uit bezit immers elk mens
een onvervangbare waarde en grootheid.
En steeds wanneer wij erin slagen
die overtuiging en die ervaring in een ander tot leven te wekken
zullen wij samen dichter komen bij de zuivere Bron van ons leven
en bij de grond van ons bestaan die wij vaak God noemen.
Om
elkaar daarbij te helpen
is natuurlijk ook de kerk, de gemeente bedoeld.
Soms helpen wij elkaar van de wal in de sloot.
Maar soms zijn er, God zij dank, ook de momenten
dat wij elkaar op het droge helpen
om verder te groeien in Godskennis en zelfkennis.
Dan kan het gebeuren dat waar twee of drie tezamen zijn,
net als bij de jongelingen in de vuuroven,
er ineens weer die vierde in ons midden is,
van wie wij ons heil verwachten.
Amen.
naar boven
|