Terug naar Overzicht Preken

Samenvatting preek


zondag 15
december 2010
Tweede Advent




Voorganger ds. F. Knoppers


Lezingen
Jesaja 43: 18-22 en  Filippenzen 1: 3-12

Toelichting preek

Het thema van de adventscyclus is ‘(Klein) Beginnen’. Vorige week werd stil gestaan bij de vrijheid die een noodzakelijke voorwaarde is om een begin te kunnen maken, op deze zondag gaat het om de aandacht (waartoe de profeet indirect oproept in 43: 19: ‘heb je het nog niet gemerkt?’) en de fijnzinnigheid (die de apostel zijn gemeente toebidt). Beiden zijn noodzakelijk als men het begin dat God maakt, wil kunnen waarnemen.

De eerste lezing is gekozen uit de profetieën van Jesaja. De profeet, die in de hoofdstukken 40-55 aan het woord is, leefde in de tijd van de Baylonische ballingschap (589-537) waarvan hij het einde aankondigde. Zijn profetieën begint hij daarom ook met de woorden ‘Troost, troost mijn volk, zegt jullie God. Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend dat haar slavendienst voorbij is…’(Jes. 40:1) Het ‘nieuwe’ dat God volgens Jesaja 43: 19 gaat verrichten heeft op dat einde betrekking. Het einde van de ballingschap en de terugkeer van de ballingen uit Babylon worden voorgesteld als een tweede exodus. De eerste exodus (onder Mozes die het volk Egypte uitleidde) wordt beschreven in de verzen 16-18.

De brief aan de gemeente in Philippi heeft Paulus vermoedelijk geschreven in het jaar 55 of 56 terwijl hij in Ephese gevangen zat. (zie I Kor. 15:32) Paulus heeft de gemeente zelf gesticht ergens in de jaren 49-52. De stad draagt de naam van Filippus van Macedonië, de vader van Alexander de Grote.

De thema’s die in de preek centraal staan, nl. de aandacht en de fijnzinnigheid, hangen nauw met elkaar samen.

Over de betekenis van de aandacht is vermoedelijk door niemand dieper nagedacht dan de Frans-joodse filosofe Simone Weil (1909-1943). Zij zag het vermogen tot aandacht als het onderscheidende kenmerk van alle echte cultuur en noemde haar ooit eens ‘de deugd van de nederigheid in het domein van het verstand’. Een citaat (uit ‘Wachten op God’): ‘ Twintig minuten sterke en onvermoeide aandacht zijn oneindig meer waard dan drie uur van die inspanning – met – gefronste wenkbrauwen waarvan men voldaan zegt: ik heb goed gewerkt. Maar al schijnt het niet zo, het is veel moeilijker. Iets in onze ziel biedt heviger weerstand aan de werkelijke aandacht dan het vlees zich verzet tegen de vermoeidheid. Dat ‘iets’ staat veel dichter bij het kwaad dan het vlees. Daarom betekent iedere werkelijke aandacht een gedeeltelijke vernietiging van het kwaad. Wie met deze bedoeling een kwartier lang aandachtig weet te zijn heeft veel goede werken verricht. Hierin bestaat nu de aandacht: dat men zijn zoekend denken opheft om zich ter beschikking te houden, leeg en open voor de dingen, en om in zichzelf de verschillende reeds verworven zekerheden weliswaar in de nabijheid te houden van het denken, maar toch op een lager niveau en zonder contact.’

Twee kenmerken van de aandacht worden in de preek vooral naar voren gehaald:
a) door de aandacht die wij schenken gaan de dingen en de mensen pas werkelijk voor ons bestaan. Waar wij aan voorbij leven bestaat niet voor ons. Aandacht doet de dingen ‘zijn’ en kan daarom ‘scheppend’ genoemd worden.
b) de aandacht is een beweging die bij ons begint maar gaandeweg vindt er een omslag plaats en ontdekken wij dat waar wij aandacht aan schonken eigenlijk recht heeft op onze aandacht. Het eist zelfs onze aandacht op. De aandacht die wij schenken begint als ‘gunst’ van onze kant. Staat waar wij aandacht aan schenken eenmaal in het licht van die aandacht dan lijkt dat het licht te zijn waarin het altijd al had behoren te staan.

Fijnzinnigheid kan zonder het vermogen van de aandacht niet bestaan maar is toch wat anders. In de preek wordt als het kenmerkende bij uitstek van de fijnzinnigheid genoemd (a) het vermogen om aan te voelen wat een bepaalde situatie voor iemand betekenen moet en (b) de kunst met een subtiel gebaar of een enkel woord de ander terwille te zijn.
Fijnzinnigheid is m.a.w. een bepaalde wijze van aanwezig-zijn, namelijk een volstrekt onnadrukkelijke en subtiele. Deze wijze van aanwezig-zijn kan een model zijn om begrip te krijgen voor de wijze waarop God aanwezig is. God is immers niet op een nadrukkelijke of opdringerige wijze aanwezig. Zo kan zijn bestaan bijv. niet dwingend worden aangetoond en kan men probleemloos aan Hem voorbijleven. Om deze subtiele wijze van aanwezig- zijn waar te kunnen nemen (Flaubert: ‘de goede God is in het detail verborgen) is weer fijnzinnigheid vereist. In het christendom wordt zelfs keer op keer verkondigd dat God op paradoxale wijze aanwezig is, op zo’n manier dus die tegengesteld lijkt te zijn aan de manier waarop je dat van God zou verwachten. (gezang 138: ‘Het licht van de vader, zien wij omsluierd, verhuld in ’t vlees’)

In Fil. 1:9b noemt Paulus een aantal termen, ‘inzicht’, ‘fijnzinnigheid’, ‘waar het op aankomt’ die ontleend zijn aan de Hellenistische moraalfilosofie. Deze termen komen door het feit dat Paulus ze in verband brengt met de liefde (1: 9a) in een andere context te staan. Traditioneel worden twee vormen van liefde onderscheiden, namelijk: de eros die ons doet zeggen ‘ik wil bij je zijn’, ‘ik kan niet zonder je’ en: de agape die ons doet zeggen ‘ik wil je gelukkig maken’. Bij beide soorten liefde willen wij de ruimte van
de ander met onze aanwezigheid vullen en dat kan soms hinderlijk en opdringerig zijn.
Er is nog een andere liefde mogelijk, namelijk één die bestaat in het vermogen ruimte
te schenken. Wij houden halt aan de grenzen van die ruimte en onze aandacht maakt het mogelijk op fijnzinnige wijze in het leven van die ander aanwezig te zijn.