Terug naar Overzicht Preken

Preek

zondag 14 februari 2010


Voorganger ds. L. Lijzen

Lezingen: Jesaja 49: 1-7 en Matteüs 4: 12-22

Wie regelmatig of zelfs maar af en toe een kerk binnenkomt, kan wel eens het idee krijgen dat deze maar blijft tobben. Tobben met het feit dat ze nu eenmaal meer verleden heeft dan heden, laat staan toekomst. Dat geldt natuurlijk niet voor alle kerken, maar in veel gevallen baart de toekomst onrust. De constante zoektocht naar hoe op een zo goed mogelijke wijze aanwezig te zijn voor de eigen gemeenschap, in de eigen buurt en de eigen tijd vraagt veel van onze energie. Waarbij we er niet om heen kunnen na te denken over de vraag: wat willen we dan zo graag naar buiten brengen? Wat is onze roeping?
Met de hete adem van de secularisatie en de islam in de nek en laverend tussen een regenboog aan idealen en vragen rond het geld zijn we op zoek naar wat deze tijd van ons vraagt.

Toch zijn er steeds weer  mensen die zich geroepen voelen de andere mens, een hele groep of een heel volk uit het moeras te trekken. Dat kan in een kerk zijn, maar bij voorbeeld ook in dorp of stad zoals te zien is bij de gemeenteraadsverkiezingen die komen. Vanuit motieven van algemeen belang of vanuit egoïstische drijfveren.
Geroepenen zijn er in vele varianten: zet u de tv maar aan: geroepenen om het songfestival te winnen, geroepenen om de economische crisis te bestrijden, geroepenen om partner van een boer te worden of de 5000 meter schaatsen te winnen.. Alle kandidaten –daar moeten we toch vanuit gaan- geven gehoor aan een stem. Al spelen er soms ook minder zuivere elementen mee..
Maar echte geroepenen, die een wereld van verschil maken? Zoals een jaar geleden mensen nog tegen Barack Obama aankeken? Zijn die niet schaars? Of leggen we de lat te hoog en zijn  ze dichterbij ons in de buurt dan we denken?
 In Jesaja komen we zo’n geroepene tegen, de dienaar of ‘de knecht des Heren’. Hij is er niet zomaar een. Bij zijn geboorte is hij uitgekozen, geroepen. En vanaf die tijd is ook zijn taal duidelijk: hij zal zelf roeper worden en mensen met stevige taal aanspreken; hij moet scherp zijn als een zwaard.
Maar ook is er het geborgen zijn, verborgen in de schaduw van Gods hand.(mooie eenheid)
Zelf denkt deze dienaar dat hij tekort zal schieten, maar zal hij er toch op uit moeten om de stammen van Jakob te verzamelen en de ballingen terug te brengen naar het beloofde land.
-letterlijk – van Babylonië naar Palestina
-figuurlijk – van het pantheon van de vele goden naar de ene God
En dat is nog maar het begin, zo horen we uit deze aankondiging waarin God met zijn dienaar Jesaja spreekt. “Ik zal je tot een licht maken voor alle volken”, zo krijgt hij te horen

Jezus roept zijn leerlingen op een heel andere manier. Niet uit de benauwenis van een verre ballingschap, maar in eigen land en, kun je zeggen, van mens tot mens.
Je ziet het tafereel  voor je: de man die –overtuigd maar toch zoekend- langs het water loopt en een viertal vissers van hun werk wegroept. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, sputteren ze niet tegen, laten ze hun werk achter en volgen hun nieuwe meester.
Zebedeüs, de vader van Jakobus en Johannes, moet toch raar hebben opgekeken toen zijn zoons er zomaar vandoor gingen. Zoals ouders kunnen staan kijken van plotselinge, eigen beslissingen van hun kinderen.
Vader Zebedeüs zal ze wel hebben nageroepen. Maar een antwoord komt er niet, de twee broers hebben hun weg gevonden. Onvoorwaardelijk gaan ze mee, een nieuwe toekomst tegemoet: ze zijn geroepen voor een grote, maar nog onbekende klus.

Als je het tegenwoordig hebt over roeping, geroepen worden, merk je dat er iets merkwaardigs mee aan de hand is. Aan voorgangers in een kerk, mensen in gezondheidszorg of onderwijs wordt nog wel eens gevraagd: heb je een roeping?
Het woord heeft iets tweeledigs: er is zeker keuze-element, het eigen antwoord.
Maar vooral klinkt het niet-verstandelijke, onberedeneerbare door, datgene waar je niet onderuit kunt, waar je misschien iets voor moet laten of opzij zetten (een behoorlijk salaris bij voorbeeld). Die kant gaat het vaak op als je deze vraag krijgt voorgelegd.
Zelf houd ik niet zo van grote woorden, maar ik zal de vraag wel positief beantwoorden.

Heb je een roeping’ is een vraag die we ook aan elkaar kunnen stellen. Is er iets waarvoor je wilt gaan en voor wilt staan? Waar je niet onderuit kunt, als enkeling of als gemeenschap.

De remonstrantse belijdenis van 2006 zegt over roeping het volgende:
Wij geloven dat wij zelf, zo zwak en feilbaar als wij zijn, geroepen worden om –met Christus en allen die geloven verbonden- kerk te zijn in het teken van de hoop.

Ik heb hier ook over lopen nadenken in het licht van de Landelijke Beraadsdag van de remonstranten op 13 maart. Het motto van deze dag luidt:
Voor een vrij en verdraagzaam christendom
Met de erfenis van 400 jaar Arminius en 400 jaar remonstrantie hebben remonstranten  weliswaar veel bagage. Maar pakken we die ook uit als we merken dat anderen die vrijheid en verdraagzaamheid missen? Kunnen we hierbij onszelf en bij elkaar nog iets bespeuren van een roeping? Of geloven we het bij voorbaat wel en blijft ons herdenken steken in een onbekommerd, maar niets verplichtend terugkijken?

In Groningen hebben we hier vorige week over gesproken toen we bezig waren met een Remonstrantie 2010. We hebben elkaar de vraag voorgelegd wat we daarin zouden zetten als we nu denken aan kernen als vrijheid, verdraagzaamheid, verantwoordelijkheid en verbondenheid. Dat leverde hele goede gesprekken op, die ons terugbrachten bij de kern van geloofsvrijheid, maar ook van geloof zelf.
Opvallend was, dat we de kernen vooral dichtbij onszelf zochten, de mildheid, de verdraagzaamheid, het krijgen van ruimte van de ander – en de moeite die het soms kosten kan om bij jezelf te blijven.

Maar ook de beweging naar buiten was er, met de eigen geloofsbodem als basis voor groei én voor omgang met elkaar. De bijbel met haar verhalen en lessen blijft hier een rijke bron, dat zal u niet verbazen. Waar immers vind je een zo compacte verhalenbundel waarvan zoveel miljoenen medemensen in ieder geval iets hebben gelezen, inspiratie hebben gevonden en ook steun hebben gekregen?
Uit deze oude verhalen wordt duidelijk wat we breed met elkaar kunnen delen aan  medemenselijkheid, rechtvaardigheid, zorgzaamheid, liefde enz.

Maar soms is er een schaduw over heen komen te liggen en lijkt de eeuwenoude kerk niet goed in staat haar eigen kussens op te schudden. Door de hiërarchie van het instituut, door belijdenissen en kerkelijke leer en –in de vrijzinnige wereld- misschien ook wel eens doordat we alleen maar praten over uitgangspunten van geloven en minder over waar het nu werkelijk om gaat – waar de echte kernwaarden liggen.
Dus moet er af en toe worden opgeruimd en afgestoft;
-Frederic Lenoir met De filosofie van Christusontdoen van ballast en nu focus op de ethiek
-Karen Armstrong met De kwestie God compassie-mededogen

Eigenlijk de eerder genoemde zin uit de remonstrantse belijdenis van 2006 wel passend:
Wij geloven dat wij zelf, zo zwak en feilbaar als wij zijn, geroepen worden om –met Christus en allen die geloven verbonden- kerk te zijn in het teken van de hoop.

Vanuit het besef dat hij geen geweldenaar is, weet de mens toch dat hij in beweging kan komen om mee vorm te geven aan een leef- en wereldgemeenschap die in het spoor van Jezus hoop wil uitdragen, dichtbij en ver weg.
Daar zit de kracht van dit roepingsverhaal en van de vele verhalen die volgen. Jezus’ optreden zet mensen weer in beweging. Hoe vaak roept hij mensen niet weer terug naar het leven,
tegen hun eigen verwachting in en geeft hij ze ook hun zelfvertrouwen terug.
Dit is een levensprogram op zichzelf, je bezinnen en in beweging komen. Maar zo worden wij dan geroepen, ieder met onze eigen gaven en talenten.

Laten we elkaar op deze weg bemoedigen om onze drijfveren en levensdoelen meer met elkaar samen te brengen, afwisselend vlot lopend en struikelend, maar steeds ook ver- en geborgen in de schaduw van Gods hand.

Amen

naar boven