Terug naar Overzicht Preken

Preek

zondag 14 november 2010


Voorganger ds. H.J.J. van Waveren.

Inleiding op de lezingen

Gedachten wij vorige week onze eigen dierbare overledenen in het wijdere verband van al de geslachten die ons voorgingen, in het wijdere verbond van alle tijden en plaatsen,
vandaag lijkt in de doorgaande lezing van dit lukasjaar de evangelist (vanuit een iets andere invalshoek) daar nog even op door te mijmeren.
Daaraan vooraf gaat exodus 3, het verhaal van de brandende doornstruik.
Dat lijkt er op het eerste gezicht weinig mee te maken te hebben.
Maar dat staat nog te bezien.
U zult straks horen dat Lukas zelf dat verband in ieder geval wél ziet.

Lezingen
: Exodus 3,1-15; Lukas 20, 27-38

Preek  (veel is ontleend aan een tekst van Nico ter Linden)

Het is goed, dat u gekomen bent.
Woorden, gemeente, waarmee ik vaak een uitvaartdienst begonnen ben.
Het is goed dat u gekomen bent.
Want als je sprakeloos bent van verdriet vind je in een huis als dit altijd nog wel een knechtje van God.
Die staat natuurlijk ook met zijn mond vol tanden en zijn geloof is net zo gammel als het onze, maar over zijn schouder heeft hij een zak met woorden van leven er in.
En dan kan er, puttend uit troost van eeuwen, waarachtig nog iets gezegd worden dat uitzicht geeft en nieuwe moed.
Met gebroken stem zingen we tegen de klippen op zelfs een lied, want helemáál gebroken zijn we niet.
Ik denk terug aan een heel verdrietige begrafenis in de adventstijd waar gz 125 gezongen werd: wees blij, o Israel, hij is nabij, Immanuel.
Waar ter wereld kun je dat beleven, dacht ik waar ter wereld zing je met de doodschrik in je lijf een lied van blijdschap?
Maar het kon. En het was een genade dat het kon.
Want het verbond ons met God, met al de heilgen ons voorgegaan en met elkaar.
Het is goed dat u gekomen bent.
Want er zijn niet zo veel plaatsen waar je puttend uit troost van eeuwen, woorden van leven kunt opdiepen uit de zak, die wij over onze schouder dragen, een woord dat uitzicht geeft en nieuwe moed, een woord dat sprakelozen in een tastend geloof doet stamelen dat onze God een God van levenden is.
Een God die dáárom misschien niet wil dat vanwege de doden wij onszelf verwonden zullen.
Want Hem zijn levenden én doden heilig.
Hem leven zij allen.
Onze God is niet een God van doden maar van levenden, zegt Jezus.
Zijn laatste woord is dat in het twistgesprek met de sadduceën dat we zo net gelezen hebben. Een paar dagen was dat voor zijn eigen marteldood.
Een twistgesprek over de opstanding over of je daarin mag geloven of dat dat onzin is.
Welbeschouwd eigenlijk geen onderwerp voor een twistgesprek.
Dáár weten wij immers helemaal niets over.
De sadduceeën niet en Jezus niet.
Bij zoiets kan niemand zeggen dat de ander onzin praat.
Je kunt hooguit eerbiedig vragen:
wat maakt dat jij niet gelooft dat dood dood is?
of:
hoe kom jij ertoe te geloven dat dood dood is?
En wie die vragen stelt en zorgvuldig naar de antwoorden luistert, die ontdekt dat er net zo goed geloof als ongeloof is dat niveau heeft en dat er ook geloof én ongeloof is dat weinig niveau heeft.
Maar geloof en ongeloof zijn, zeker als ze niveau hebben, allebei even tastend.
Want weten doen we niets.
Jezus zegt dan ook niet tegen de sadduceeën dat ze dwalen.
Hij vraagt het zich af !
Dwalen jullie niet? vraagt hij.
En dwalen jullie niet daarom dat je de Schriften niet kent noch de kracht Gods?

De sadduceeën, gemeente, dat is de hoge geestelijkheid van Jerusalem, de welgestelde priesteradel, de vrijzinnige aristocratie.
U kent dat soort wel, want het is van alle plaatsen en tijden.
Het soort dat alles al heeft en dus van veranderingen alleen maar slechter kan worden.
Daarom zijn ze conservatief.
Schriftgetrouwe lieden die zweren bij Mozes.
Alles wat daarna komt is in hun ogen tweede garnituur.
De tora, de 5 boeken van Mozes, daar gaat het om.
En waar leert de tora in ‘s hemelsnaam de opstanding der doden?
Nergens toch zeker?

Welnu, geen opstanding dus.
En engelen, daar geloven deze verlichte lieden al helemaal niet in.
Engelengeloof, dat is meer iets voor het gewone volk.
De sadduceeën zien ze niet vliegen.

Van Jezus moeten ze dan ook niks hebben.
En het behoeft geen betoog waarom niet.
Er gaapt een wereld tussen hen.
Het zou dan ook beter zijn om deze oproerkraaier die het geloof der vaderen te grabbel gooit voor goed het zwijgen op te leggen.
Het zou mooi zijn als hij dood was en dat dood dan ook echt dood was.
Hebben ze daarom misschien de opstanding der doden tot onderwerp van hun steekspel gekozen?
Rabbi Mozes heeft ons voorgeschreven........
Daar heb je ze, de sadduceeën.
Meteen met Mozes in de weer ..........
En ze vertellen van de tora die voorschrijft dat als een vrouw kinderloos sterft haar zwager bij die vrouw op naam van zijn broer kinderen moet verwekken.
Dat is een sociale plicht, niet alleen vanwege het verdriet maar ook vanwege de vrees voor een ongewisse toekomst, want kinderen waren toen je oudedagsvoorziening.
En last but not least ook nog om religieuze redenen.
Want als je in Israel kinderloos sterft is het net of God tegen jou zegt: jou had ik niet nodig.
Eens immers zal een vrouw in Israel de messias onder haar hart dragen, maar jij zult in die voortgang der geslachten geen rol spelen en jij zult er ook in je nageslacht niet bij zijn als de messiaanse tijd aanbreekt.
Dan ben je pas echt dood.
Want dan zal jouw zaad de belofte niet beërven.

Rabbi Mozes heeft ons voorgeschreven......
en ze toveren een heel interessant geval uit hun hoge hoed over een vrouw die met zeven broers het bed deelde, maar zwanger...ho maar;
en wie van die zeven zal nu in de hemel haar man zijn?
Bij twee mannen zit je in principe al met dezelfde “moeilijkheid”,
maar de sadduceeën maken er omstandig zeven van.

Toch is in eerste instantie dat getal 7, dat getal van de volheid zo onzinnig niet, gemeente, want juist een teken van waarachtige broederschap in de verwoede poging om de overleden broer alsnog nakomelingen en daarmee leven te geven, ervoor te zorgen, zeg maar, dat zijn weg niet dood zal lopen.
Want in de hele Tora is precies dat leven, dat je in je zaad het beloofde land zult beërven.

Maar in dit dispuut geven de Sadduceeën er een onzinnige draai van laag allooi aan met hun cynisch gespot over wie van de zeven in het hiernamaals nu de man van deze vrouw zal zijn.
Zo maak je van een eerbiedige en subtiele intuïtie en een wankel vermoeden een karikatuur om eenvoudigen van geest te bespotten.
En precies dat cynisme moet Jezus dwars door de ziel gesneden hebben.
Want Jezus is een man van het volk.
Meestal rechteloos, machteloos en uitgebuit volk.
Niet in het minst door de sadduceeën zelf.
Denkt u maar aan het penningske van de weduwe.
Volk dat dus ook droomt van engelen die je eens naar het paradijs zullen geleiden,
waar de angst niet meer regeert, waar geen honger en armoe meer heersen, waar alle leed geleden zal zijn.
Mag een slachtoffer dat hopen?
Mag een slachtoffer hopen dat de beul niet tot in der eeuwigheid zal triomferen?

Een droom, een visioen, zonder twijfel voortgekomen uit wensdenken.
Maar is het uitgesloten, gemeente, dat zo’n paradijs ook is voortgekomen uit het wensdenken van God zelf?
Natuurlijk, dat paradijs bedenken we zelf, maar kan daarom God het niet ook bedacht hebben?
Want God hoort toch niet tot de vrijzinnige aristocratie die zich boven het gewone volk verheven acht?
Hij houdt immers van het volk.
Hij heeft het bedacht en geschapen,
Hij heeft de mensen het vermogen tot liefde en trouw geschonken en ze een droom in het hart gelegd.
En zegt hij dan tenslotte ... sliep uit?

Als wij afscheid moeten nemen van onze geliefden,
als wij hen niet langer kunnen liefhebben houdt God daar dan op datzelfde moment ook mee op:
met liefhebben en trouw zijn?
Laat hij dan varen het werk van zijn handen?

Het moet Jezus door de ziel gesneden hebben, gemeente, dat de sadduceeën het geloof van de gewone mensen zo harteloos belachelijk maakten.
Dwalen jullie niet? vraagt hij.
Jullie kennen de Schriften niet noch de kracht Gods.
Dat zal die Toragetrouwen, denk ik, niet aangenaam in de oren geklonken hebben.

Nu moet ik ze nageven, gemeente,dat het zg OT inderdaad bijna nergens met zoveel woorden over de opstanding spreekt, al was het alleen maar uit protest en weerzin
tegen de omringende culturen die altijd en eeuwig met de dood en het hiernamaals in de weer waren.
Maar wie leest zoals Jezus leest diept zoiets er toch uit op.
Maar zo lezen de sadduceeën niet.
Wat weten die b.v. van een doodsengel die in de nacht van de uittocht voorbijging aan de huizen waarvan de dorpels bestreken waren met bloed van het paaslam?
Ja, ze kennen de verhalen wel.
Maar dat is niets dan mythologie,waardeloze mythologie.
Natuurlijk is het mythologie, gemeente.
Maar is het misschien mythologie, waarmee mensen de door hen ervaren kracht Gods hebben uitgebeeld?

En wat horen de sadduceeën eigenlijk in het ontroerende verhaal over het levenseinde van hun eigen zo vereerde Mozes?
Oud was Mozes geworden, van dagen verzadigd.
Maar zijn oog was niet verduisterd en zijn kracht was niet geweken.
Dat moet wel betekenen dat hij tot het laatst zijn visioen voor ogen heeft gehad en zo wordt het ook inderdaad beschreven:

God laat Mozes, zijn toegewijde vriend, vanaf een berg het beloofde land zien.
Hoe lieflijk ligt het daar aan de overkant van de Jordaan.
Toen is Mozes gestorven en God begroef hem.
De laatste eer.
Eigenhandig heeft hij zijn vriend begraven.
Zoals een moeder haar kind, zo heeft God hem toegedekt.
En, zo staat er, niemand heeft zijn graf geweten tot op de huidige dag.
In de taal van het NT zou er gestaan hebben dat zijn graf leeg was.

Maar ja, jullie sadduceeën kennen de Schriften niet noch de kracht Gods.
Dat hele boek is een opstandingsboek en staat boordevol van de ontferming Gods.
Maar wat weten jullie van de ontferming Gods?
En de kracht Gods, wat zegt jullie dat eigenlijk?
Als een mensenhart ophoudt met kloppen, houdt het kloppen van Gods hart voor die mens dan ook op?
En waar halen jullie zo’n goedkope voorstelling van de hemel vandaan?
Alsof die slechts een verlengstuk van de aarde zou zijn?
Natuurlijk dromen mensen ervan weer te zullen zien wat hun lief was.
Al zou hen dat, als het echt gebeurde, misschien niet helemaal mee vallen.
Maar zonder gestalten kun je nu eenmaal niet dromen, zonder plaatjes niet gelovig fantaseren.
Want niemand is zo naïef om niet te weten dat het volstrekt anders moet zijn.
We kennen ook allemaal het beeld van de korenaar en zelfs dát is nog maar een beeld.
Dus zal niemand in de hemel kunnen zeggen:
deze mens is van mij.
Dat kun je hier al niet, beste sadduceeën, al doen jullie dat vaak wel.
Ook nu kan niemand zo maar zeggen:
mijn vrouw, mijn man, mijn kind of je moet zeker weten dat je in liefde spreekt.

Niemand mag zo maar zeggen:
mijn huis, mijn boom, mijn geld.
mijn eten en mijn drinken.
Het komt allemaal pas tot zijn recht waar mensen van delen weten.
Daarom zijn we in de kerk ook altijd met diakonie bezig, want zonder dat delen
kan er van kerk helemaal geen sprake zijn.
In bijbels licht is immers niets van onszelf, maar zijn wij samen in een wereld die van God is, zijn koninklijk domein.

Maw: in de hemel huwen wij niet noch worden wij er ten huwelijk genomen.
Wij zijn er als engelen.
Begrijpt u wel, mijne heren sadduceeën?
Maar nee, dat mag ik helaas niet aannemen, dat u die taal verstaat.
Want het is de taal van de liefde, de poëzie van het hart.
Van jullie, godgeleerden, moet gevreesd worden dat je die taal noch spreekt noch verstaat.

Daarom verstaan jullie ook de Schriften niet!
Waar zit toch jullie hartstocht voor God en voor de kleine stervelingen die Hij schiep?
Waarom gaat de dorre doornstruik van jullie leven niet branden als God jullie roept zoals Hij eens Mozes riep met de woorden:
Ik ben de God van Abraham, Isaak en Jakob.
Als Mozes die woorden hoort zijn A+I+J allang dood en begraven.
Maar God herinnert Mozes niet aan een ver en dood verleden maar aan zijn liefde en trouw in tijd en eeuwigheid.
Hij zal met Mozes meegaan als die met het volk meegaat uit het land van de Angst naar het land van de Belofte, uit het dal van de dood naar de berg van het leven.

Van opstanding gesproken:
Mozes, ik wás de God van A+I+J en ik bén hun God.

Voor mij zijn ze niet dood.
Ik ben niet een god van doden, ik ben een God van levenden.
Dacht je dat Ik alleen tijdens hun leven van hen gehouden heb en dat met hun dood ook mijn liefde voor hen dood was?
Voor jullie, in jullie beperkte dimensie, zijn het de namen van gestorvenen, maar voor Mij, in mijn veel wijdere dimenise, zijn het levenden.
Het is goed, gemeente, dat u gekomen bent.
Amen.

naar boven