Terug naar Overzicht Preken

Preek

zondag 01 mei 2011


Voorganger ds. J. Korbee uit Leiden.


Lezingen
: Luc. 24: 13 - 35



Gemeente,

Tussen hoop en vrees. Een wat vreemd thema na alle koninklijke festiviteiten van de laatste twee dagen. We leven tussen Pasen en Pinksteren. Hoop en vrees vallen niet met deze twee grote feestdagen samen. Wat zou er eigenlijk te vrezen zijn? Is Pasen niet de dag van de grote glorie? In Utrecht is vroeg op paasmorgen gezongen op het Domplein. En ik ken nog de woorden van een paaslied van vroeger: ‘Daar juicht een toon / daar klinkt een stem / die galmt door gans Jeruzalem’.

Maar lezen we de evangelieverhalen dan is er zo duidelijk nog een andere toon te horen. Een toon van ongeloof, van ontsteltenis, van ontreddering. Dat de dood van Jezus van Nazareth het einde niet is, wordt maar heel langzaam duidelijk – al klinken ook in de evangeliën soms reeds de triomftonen.

Als u het slot van het Markusevangelie zou opslaan – op bladz. 75 van het N.T. in de Nieuwe Bijbelvertaling – dan ziet u drie sterretjes in de tekst staan. Daarna volgt een stuk over de verschijningsverhalen. Volgens veel bijbelkenners is dit later aan het evangelie toegevoegd. Het komt niet in alle oude handschriften voor. In de vorige bijbelvertaling is het daarom tussen haakjes gezet. Het is waarschijnlijk aan het evangelie toegevoegd omdat dit zo in mineur eindigde. Het oorspronkelijke evangelie eindigde met de woorden: want zij waren bevreesd.

Er waren twee reizigers te voet op weg, op weg naar Emmaüs. En zoals het met wandelaars gaat, of je nu veel of weinig te zeggen hebt, je bent met elkaar verbonden door de weg die je samen gaat; soms loop je vlak achter elkaar, dan weer met enige afstand, maar altijd zo dat je elkaar kunt zien. Als je elkaar uit het oog verliest wacht je even of je verhaast je pas – want je moet elkaar kunnen blijven zien, zien hoe het met de ander gaat. Het gaat om de veiligheid van de ander en ook om de veiligheid van jezelf. Je bent met elkaar verbonden, ook door wat je samen hebt meegemaakt.

De wandeling van deze twee naar Emmaüs roept andere wandelingen in de herinnering op. De meest beladen is wel de reis van Abraham en Isaäk om een onwaarschijnlijk offer te brengen (Gen. 22). De bijbelverteller vertelt dan van de saamhorigheid tussen die twee; ‘zo gingen die beide tezamen’. Er is ook de wandeling van Noömi en haar beide schoondochters (Ruth 1), ook terug naar huis, terug naar het land dat ze met haar man en twee zonen vanwege een hongersnood had verlaten. Economische vluchtelingen, ook toen. Nu ze oud is geworden, haar man en beide zonen heeft verloren, keert ze terug. Haar schoondochters volgen haar. Maar Noömi ziet geen toekomst voor hen en vraagt hen terug te gaan. Eén van de schoondochters blijft haar trouw. De voetreis leidt tot inkeer, vertrouwen. Dat is de context van de wandelaars op weg naar Emmaüs. Ze laten akelige gebeurtenissen achter; ze gaan een onzekere toekomst tegemoet; ze weten van elkaar dat ze dezelfde twijfels, dezelfde vragen delen.

De twee reizigers laten iets achter. En ze nemen iets mee. Ze laten de gebeurtenissen van de gevangenneming en de dood van Jezus achter zich. Ze nemen hun verwarring mee. En waar twee – of meer – in zijn naam bijeen zijn, is hij in hun midden (Mt. 18: 20). Dit is de kern van al die wonderlijke verschijningsgeschiedenissen na Pasen. Wie naar hem verlangen en in zijn naam samenkomen, ontdekken dat hij aanwezig is. Het verdriet en de vreugde gaan samen. Het verdriet om wat er niet meer is, de vreugde om wat er als zaad is uitgestrooid. Maar de twee reizigers beseffen dit nog niet. Dit is ook heel moeilijk te ervaren als je nog in de ontsteltenis en in het verdriet leeft, als laten we zeggen de ogen nog gesloten zijn. Maar ook dan komt hij in hun midden om de weg te wijzen. De twee reizigers zijn samen op weg – maar het eigenlijke reisdoel moet hen nog gewezen worden. Ze zijn op weg naar huis – laten we dat maar aannemen, want het staat niet in de bijbeltekst – maar wat hun thuis is, hoe ze bij zichzelf kunnen komen, moet hen nog verteld worden. En al pratend over alles wat er is voorgevallen is hij in hun midden en wijst hij hen de weg. Zij hoopten op de verlossing van Israël. Die hoop lijkt een illusie te zijn geweest, een hoog gespannen verwachting op basis van de indruk die Jezus van Nazareth op hen heeft gemaakt, een machtig profeet in woord en daad.

Dan vertellen ze de vreemde ook van de verwarring van deze dag. Van de vrouwen die naar het graf waren gegaan en daar het lichaam niet vonden. Dat zij wel de boodschap mee krijgen dat hij leefde. Vervolgens zijn nog weer anderen naar het graf gegaan. Maar Jezus zagen zij niet.

Dan neemt die ander, de derde, het woord. Hij gaat niet in op de verschijningsverhalen. Hij laat ze voor wat ze waard zijn. Hij gaat in op de verwachting die de twee reizigers koesterden omtrent de profeet die ze ontmoet hebben, in wie ze zoveel geïnvesteerd hadden aan hoop en verwachting. Op deze verwachting gaat hij in.

Hij schildert hen een ander beeld van deze profeet – die hij nu Christus, Messias noemt. Het is een beeld gebaseerd op de inzichten van oude profeten, dat de Messias lijden moest. De vreemdeling gaat uit van hun recente ervaringen, van hun teleurstelling en hun verwarring en stelt ze in een nieuw kader. Hij verwijt hen dat ze dit niet eerder hadden ingezien, dat ze zo weinig verstand hebben en zo traag van begrip zijn. Of een dergelijk verwijt pastoraal erg handig is, waag ik te betwijfelen. In ieder geval is het een boodschap die vast niet goed ontvangen zou zijn toen zij nog onder de indruk waren van het gezag van de omgekomen profeet. Wanneer het succes om je heen opbloeit, wil je geen negatieve verhalen horen.

Zo stelt die vreemde het inzicht bij van de twee wandelaars. Hij leert ze op een andere wijze te zien. Hij geeft daardoor nieuwe hoop. De machtige profeet komt niet terug, maar wel wordt het zaad gezaaid: de ramp die hen getroffen heeft, hoeft niet het einde te zijn. Dat er daarna nieuw leven ontluikt, ander leven, leven dat erkent dat er in het mensenbestaan grote diepten zijn waarin we niet graag afdalen; maar wat soms moet, eenvoudig omdat het gebeurt. Wie dit erkent zou je gelouterd kunnen noemen, beproefd, niet omdat de diepten gezocht worden; maar omdat ze een plaats krijgen in het bestaan. Zo wordt de lijdende Messias opgenomen in de glorie van God. Zo leeft God mee met de mens.

Wat hier in de mond van Jezus wordt gelegd – de onbekende derde – is de teneur, een samenvatting van de evangeliën zoals wij ze nu kennen. Deze evangeliën, te beginnen bij dat van Markus, geven uiting aan het inzicht dat de grootsheid van het mens-zijn samen gaat met de diepten van het bestaan. Het is een inzicht dat heel vroeg in de kerk is ontstaan, dat een antwoord is op de dood van de profeet. Zo ontstaat een gelouterde hoop. Hoe moeilijk soms de weg ook is, in het persoonlijk leven, of nu ook voor het voortbestaan van kerken en gemeenten: je mag leven uit deze gelouterde hoop, je hoeft niet bij de pakken neer te zitten.

De twee reizigers horen het aan, maar ze zien het nog niet, herkennen hem nog niet.

Hoe herken je nu deze profeet?

Over de vraag hoe een goede profeet te onderscheiden is van een valse, over die vraag zijn heel wat hoofdbrekens gemaakt, en is al heel wat geschreven.

Het gaat om de vraag: wie mag je geloof hechten, wie is betrouwbaar?

Het is nog steeds een actuele vraag.

Die vraag naar de echtheid komt ook hier aan de orde. De twee leerlingen op weg naar Emmaüs zien niet wie met hen is.

Het is heel ironisch dat juist van dit verhaal een schilderij is gemaakt door een meestervervalser [van Meegeren], iemand die niet alleen goed vervalsen kon, maar zo ook op een briljante wijze de kern van het verhaal bloot legt: wat is is echt?

Het verhaal van de twee Emmaüsgangers geeft daarop twee antwoorden. 1. Je ziet het aan de sporen van het lijden. Dat eigenlijk is het antwoord van vandaag op ‘beloken pasen’, de afsluiting van Pasen: Thomaszondag. ‘Zie mijn handen,’

Daarnaast vinden we in dit verhaal een tweede antwoord. De twee mensen nodigen de vreemde uit om bij hen te eten. Ze gaan aanliggen aan tafel. Dan neemt hij het brood, spreekt een zegengebed uit, breekt het brood en geeft het hun. Er ontstaat gemeenschap.

In dit symbool van het breken van het brood komen de twee antwoorden samen, het lijden krijgt een plaats, de gebrokenheid in het bestaan. Het tweede is het geven van het brood, het stichten van de gemeenschap; het is de gemeenschap dat het lichaam van Christus is, zoals de apostel Paulus zegt.

In dat gebaar van het breken van het brood herkennen zij de Christus, Jezus zoals zij hem hebben leren kennen. En ze weten dat hij leeft.

Het gaat in dit verhaal niet om aan te tonen dat Jezus ‘waarlijk is opgestaan’. En ik denk ook niet dat het verhaal historisch is. Daarvoor lijkt het verhaal mij te mooi gecomponeerd. Eerder gaat het erom dat wij door het verdriet om het verlies – dat is hier het persoonlijke verlies van de mens die zij lief hadden èn het verlies van hun hoog gespannen verwachtingen – een nieuw inzicht mogen krijgen. De gebrokenheid van het bestaan behoort tot ons leven. En toch mogen wij dit leven, de gemeenschap vieren.

Straks zullen we zingen:
De toekomst van de Heer is daar
En voor zijn voeten uit
Gaan vrede en gerechtigheid
Als bruidegom en bruid.
(Lb. 199)

Zo herinneren we nog eens aan een gebeurtenis van de afgelopen week.

Het gaat om een vrede die niet in één slag met een machtige hand wordt afgedwongen. Het is de vrede waarin ons verdriet en de gebrokenheid van het bestaan meedoen. De gemeenschap van de treurenden, die daardoor ook weer lachen kunnen. Zo gaan we op naar de vierde mei.

Amen

naar boven