Terug naar Overzicht Preken

Preek

zondag 2 en 9 december 2007


Voorganger ds. H. van den Berg
 

Overdenking voor de eerste en tweede zondag van Advent
over het thema Begeerte en Verlangen,
aan de hand van twee foto’s, ROT en WEISS, van Maike Brautmeier


 

 Ik ben in een grote ruimte. Er zijn twee gangen. Eén links en één rechts. Ik kijk de gangen in, één voor één. In beide gangen is aan het einde een blinde muur, en beide muren hangt een reusachtige foto. Ik kan van deze afstand niet zien wat er op die foto’s staat. Wel kan ik zien dat één overwegend wit is en de ander rood. Ik loop de gang in met de rode gloed en kom steeds dichter bij de foto. Wat ik zie beneemt mij haast de adem. Ik weet niet hoelang ik nu voor de foto sta, een paar minuten of misschien wel een uur, maar ik voel hoe ik het beeld word ingezogen. Ik loop daar zelf met rode blote kleren aan even extravagant te zijn als de figuren die ik net nog van een afstand had bekeken. Er klinkt harde muziek. De donkere bassen bonken in mijn buik. Ik kijk verbaasd om me heen. Allemaal mooie mensen lopen hier door elkaar. Het lijkt wel of iedereen alles met een ander mag doen wat je maar wil. Het genot ligt klaar als strooigoed. Boven de blikken muziek uit hoor ik flarden banale conversatie. Iedereen lijkt te met een ander in gesprek maar ik merk dat men alleen met zichzelf bezig is. Ik loop rond en probeer contact te krijgen.
            “Waarom leven jullie?”
roep ik. Niemand hoort me.
             “Wat is het doel van jullie leven?”
schreeuw ik. Niemand ziet mij staan.
               “Zijn jullie gelukkig?”
probeer ik nog. Er loopt een videoclipmeisje langs me. Ze ziet waarschijnlijk in het voorbijgaan mijn mond bewegen. Ze haalt een dopje uit haar oor en kijkt me vragend aan.
             “Wat is het doel van jouw leven?”
roep ik in haar oor. Ze stapt achteruit en scant mij met een kille zelfbewuste blik. Ze stopt het dopje weer terug in haar oor, nipt van een cocktail en duwt me bij weggaan een flyer voor een afterparty in handen. Ik kijk haar na tot ze opgaat in de schitterende rode massa. Ik wankel de foto uit.
            “Waar leef je voor, waar leef je voor...”
mompel ik nog steeds in mijzelf.

Als ik weer wat vaster op mijn benen sta en de gang weer in wil lopen zie ik de filosoof. Ook hij staat naar de foto te kijken, maar houdt meer afstand dan ik deed. Hij houdt mij tegen.
           “Niet weglopen.”
zegt hij. Hij spreekt frans en ik begrijp niet alles wat hij me uit wil leggen.
             “Wat heb je gezien?”
vraagt de filosoof.
             “Ik heb mensen gezien die elkaar consumeren uit pure genotzucht.”
             “ Waarom doen die mensen dat?”
vraagt de filosoof.
            “Om gelukkig te worden.”
zeg ik. De filosoof neemt een collegehouding aan.
             “Ze consumeren geen genot, ze consumeren het geluk zelf.”
zegt de filosoof.
“Toen ze kind waren werd hun geleerd dat er maar één gebod is: jij zult gelukkig zijn. Het is het wreedste gebod dat er bestaat, want men stort zich en masse op allerlei roesmiddelen om maar zoveel mogelijk het gevoel van geluk te krijgen. Iedereen wil zich tot het uiterste inspannen om die geluksnorm te halen, maar niemand weet wanneer hij die norm heeft bereikt. Wat ik zei, het wreedste gebod dat er bestaat.”
De filosoof kijk mij vragend aan alsof hij wil peilen of ik hem begrijp. Ik laat niet merken dat het nog niet helemaal tot me doordringt.
“Weet je, gaat hij verder, omdat niemand weet of hij aan de norm voldoet wordt iedereen onzeker. Vanuit die onzekerheid spiegelt iedereen zich aan een ander, die in zijn ogen wel gelukkig is. Men is even gretig om de veronderstelde gelukkigen na te volgen als afgunstig omdat zij wel dat geluk lijken te hebben bereikt.”

De filosoof kijkt omhoog naar de gewelven van de gang. Zijn gedachten lijken een hoge vlucht te nemen. Dan kijkt hij weer naar mij.
          “Weet je,”
zegt op zachte toon,
“alles wat heilig was hebben we uit ons alledaagse leven verbannen en we hebben de banaliteit hoog in het zadel getild. Veel mensen kennen alleen nog het triviale, het middelmatige en platvloerse om hun geluk in te zoeken.”
De filosoof loopt nu naar de foto en brengt zijn oog zo dicht mogelijk bij het oppervlak van dat immense beeld.
           “Zie je de pijn in hun ogen?”
vraagt hij.
“Ze zoeken in alles genot, maar alles wat dat genieten in de weg staat leidt tot ergernis en agressie en pijn. Gedreven door onze heilige opdracht gelukkig te zijn, bannen we het lijden uit de wereld. Als lijden ons treft lijden we het meest aan het besef dat we gefaald hebben in het gelukkig zijn.”

De filosoof stapt achteruit en komt naast me staan. Ik wil weg. Ik heb genoeg van zijn verhaal, maar hij grijpt me bij mijn arm en zegt:
“Nog één ding... Vroeger wist men al dat geluk bevorderd wordt door gezondheid, rijkdom, schoonheid, welbehagen en welzijn. Maar men wist ook dat dit alles niet het geluk zelf is. Nu denken we dat gezondheid, rijkdom, schoonheid, en noem het allemaal maar op, het bewijs vormen dat je gelukkig bent. Daarom is iedereen als een gek aan het carrière maken, aan het consumeren, aan het fitnissen, aan het reizen, aan het zich vermaken. Geluk is voor iedereen bereikbaar, voor iedereen te leren, door iedereen af te dwingen.”
De filosoof laat mij los. Ik draai me om en hol de gang in, terug naar de grote ruimte. Als ik de bocht om ga kijk ik nog even achterom en zie de filosoof druk gebaren.
             “Niemand kan geluk garanderen!”
roept hij.
            “Geluk is een geschenk…”

Ik ren verder naar de uitgang. De echo van de roepende filosoof sterft langzaam weg. Ik ga naar buiten en loop over een groot plein naar de straat. Op de stoep sta ik stil. Er is iets ophanden. Mensen drommen samen en wijzen opgewonden naar de bocht waar straks iets of iemand zal verschijnen. Ze rukken de bijna kale takken van de bomen en spreiden hun warme winterjassen uit over het natte asfalt. Ik doe het ook, zonder precies te weten waarom.

Ik hoop alleen nog maar. Ik hoop dat er iemand over die jassen wil gaan die mij kan vertellen waarom ik leef. Misschien hoop ik alleen maar dat ik heel even liefdevol zal worden aangeraakt.


Ik sta nog steeds op de stoep. De mensen die op het gerucht waren afgekomen beginnen zich weer te verspreiden nu er niets bijzonders gebeurt. Auto’s rijden over de uitgespreidde jassen en kale takken staan als stukgewaaide  paraplu’s  bij de prullebakken. Ik zie een man eenzaam met zijn tak zwaaien en loop naar hem toe. Ik kijk de man vragend aan en zonder mijn vraag af te wachten zegt hij
            “Hij komt als een dief in de nacht. Laat je niet verrassen!”
            “Hoelang wacht u al?”
vraag ik.
Hij kijkt naar de bocht in de straat .
            “Bijna tweeduizend jaar.”
zegt hij zacht en zwaait hardnekkig met zijn kale tak. Ik draai me om en loop terug over het plein. Ik ben weer in de grote ruimte en kan de gang inkijken die uitkomt bij een enorm grote witte foto. Ik loop de gang in. De afbeelding kan ik steeds beter zien. Als ik vlakbij ben word ik opgenomen in een idyle van vriendelijke mensen en dieren. Ze houden een feestmaal met elkaar. Een man en vrouw in witte kleren komen naar mij toe.
            “Kom mee met ons.”
zegt de man.
            “Doe mee met ons.”
zegt de vrouw. Ik vraag wie ze zijn.
            “Wij zijn van het ware geloof,”
zegt de vrouw,
            “bij ons rust de jachthond naast het hertejong.”
Ik ben zeer geroerd.
            “Hoe kan het dat het bij jullie zo vredig en zo sereen is?”
vraag ik.
“Wij zijn van het ware geloof, bij ons rust de jachthond naast het hertejong.”
zegt de vrouw opnieuw. Ik kijk haar van opzij aan en zie iets vreemds aan haar gezicht, maar kan niet goed omschrijven wat het is. Ze neemt mijn hand en voert me mee naar de witte tafel. Ik kijk naar het gezelschap.
            “Zijn jullie gelukkig?”
vraag ik. Als met één mond klinkt het antwoord:
            “Wij zijn van het ware geloof, bij ons rust de jachthond naast het hertejong.”
Nu ik hun gezichten beter kan zien, zie ik hoe star ze zijn. Ze lijken wel bevroren. Mijn ontroering over zoveel vredigheid slaat om in angst als iemand uit het gezelschap naar mij toe komt met een schotel gipspoeder en een waterkan. Ik vlucht weg. Het lijkt eindeloos lang te duren voor ik weer terug ben in de gang. Daar laat me uitgeput tegen de muur op de grond zakken.

Als ik opkijk staat opeens de theoloog naast me. Hij kijkt naaar de foto en zonder mij aan te kijken vraagt hij:
            “Wat zie jij in die foto?”
            “Ik zie mensen die helemaal opgaan in hun ideaal.”
zeg ik.
            “Ze zien er op het eerste gezicht gelukkig uit, maar ze lijken mij niet authentiek.”
De theoloog is zichtbaar blij met mijn antwoord want dit geeft een goede aanzet voor een geleerd betoog.
            “Het heeft te maken met hun identiteit.”
zo begint hij,
“Deze mensen denken dat zij de waarheid gevonden hebben en dat daarmee de ontwikkeling van hun identiteit is voltooit. Je ziet vele vormen van...”
            “Ben je dan gelukkig?
vraag ik hem.
            “Zien zij er gelukkig uit?”
roept de theoloog uit, die merkbaar zijn best doet zijn irritatie over mijn onderbreking te verbergen.
            “Ze doen alsof ze gelukkig zijn, maar ik denk niet dat ze het echt zijn.”
antwoord ik.
            “Het lijkt paradijselijk, maar er ontbreekt iets.”
            “Het ontbreekt hen aan vrijheid.”
zegt de theoloog, die blij is dat hij weer aan het woord is.
            “Ze hebben zich vastgepind op hun gelovige identiteit. Ze zijn gefixeerd door de leer en de moraal en de verwachtingspatronen van hun eigen groep. Dat is hun masker. Maar wie wil leven voor het aangezicht van God, hoeft geen masker meer te dragen. Je bent meer dan je masker en dat meer is het onvervulde. De ervaring van het onvervulde is de motor van ons verlangen. Het verlangen overstijgt onszelf en reikt naar God.”
            “Maar als je nooit helemaal vervuld bent, hoe kun je dan gelukkig zijn?”
vraag ik.
“Je bent gelukkig als je de weg van je verlangen kunt volgen en als je het lijden dat je overkomt niet verwart met ongeluk.”
antwoord de theoloog. Het duizelt me De theoloog praat rustig door. Hij richt zich op een niet bestaand gehoor, zodat ik ongemerkt bij hem weg kan lopen.

Ik ben weer in de grote ruimte. Er staat een grote tas. Ik pak de tas en loop er mee naar buiten. Ik zoek een bankje en ga zitten, de tas op schoot. De tas is leeg, maar als ik er met mijn hand in zoek voel ik dikke boeken. Ik haal er een aantal tevoorschijn en lees de titels. Beroemde filosofen en theologen. Als ik ze terug doe in de tas lijken ze in een bodemloze put te verdwijnen. Dan voel ik iets duns. Het is een boekje van een zweeds mysticus. Ik sla het open en begin te lezen.
 
Erbarm U over ons.
Erbarm U over ons streven,
dat wij onder uw ogen,
in liefde en geloof,
rechtvaardigheid en ootmoed,
U mogen volgen,
in zelftucht en trouw en moed,
en U ontmoeten in stilte.
Geef ons een zuiver gemoed,
dat wij U mogen zien,
een nederig gemoed,
dat wij U mogen  horen,
een liefdevol gemoed,
dat wij U mogen dienen,
een gelovig gemoed,
dat wij mogen leven.
U, die ik niet ken
maar aan wie ik toebehoor.
U, die ik niet begrijp
maar die mij hebt gewijd
aan mijn eigen lot.

U.

Bronnen:
Foto’s © Maike Brautmeier
Pascal Bruckner, Gij zult gelukkig zijn
Henning Luther, Religion und Alltag
Dag Hammarskjöld, Merkstenen
Advent 2007
Henk van den Berg

 

naar boven