Terug naar Overzicht Preken

Preek

zondag 23 december 2007
4de Advent


Voorganger ds. H. van den Berg

Tekst om de dienst mee te beginnen

Advent

In de leegte
van vervlogen dromen
van nuchterheid en realisme
In de leegte
is het
koud

In de leegte
van verloren idealen
van redelijkheid en gezond verstand
In de leegte
is het
stil

stil

In de ruimte
van gegroeide stilte
van verlangen en aarzelend vertrouwen
In de ruimte
groeit
de hoop

In de ruimte
van hopen en uitzien
van ontvankelijkheid en nieuw verwachten
In de ruimte
groeit
het kind

In de ruimte
woont
het kind

In de ruimte
van het kind
mag ik wonen.

(uit: Margreet Spoelstra, Blauwe Regen)

Preek

Gemeente,

Vandaag de laatste dienst over Begeerte en Verlangen. Na deze dienst zullen de foto’s van Maike Brautmeier plaatsmaken voor kerstversiering. Welke route hebben wij tot nu toe afgelegd? We zijn begonnen met de vraag naar het geluk.? Dat is de vraag die zich opdringt als je de begrippen begeerte en verlangen als uitgangspunt neemt. In de dienst van de 1ste advent stonden we stil bij de rode foto en moesten we constateren dat het najagen van je begeerten niet het gehoopte geluk brengt. De 2de advent stonden we voor de witte foto en vroegen we ons af of het geluk te vinden is in een idealistische utopie, maar dat bleek ook niet het geval. Beide foto’s tonen een vorm van gevangenschap. Op de foto’s zien we mensen die alleen oog hebben voor zichzelf en de ander hoogstens zien als middel bij hun eigen streven. Zij leven in de ballingschap van het IK. Is het mogelijk uit deze gevangenschap bevrijd te worden? Wat betekent het voor ons als we lezen over Immanuël, God met ons. Jesaja en Matteus vertellen ons het verhaal als teken van hoop. Vrees niet, ook in de ballingschap zal God ons niet verlaten, al lijkt het zo. Er is altijd een uitweg. Die uitweg gaat via de ander, de medemens, en via de ander komen we bij de Ander, bij God.

Vorige week zagen we een fragment uit de film KAOS, van de gebroeders Taviani. Ik zal nog even terughalen wat we hebben gezien. Batà en Sidora zijn 20 dagen getrouwd. Batà heeft een klein boerderijtje, op een uur lopen van het dorp. Op die 20ste dag blijkt Batà ziek. Maanziek. Als de dag ten einde loopt en de volle maan boven de bergen verschijnt, raakt Batà buiten zinnen. Hij raast als een dolgeworden beest om het huis en verwondt zichzelf op een vreselijke manier. Als Sidora hem, na een huiveringwekkende nacht, de volgende morgen bewusteloos op het erf aantreft, vlucht ze halsoverkop naar haar moeder. Haar moeder arrangeerde het huwelijk met Batà en wilde haar dochter niet met Saro laten trouwen. Saro is een veel aantrekkelijker man, maar een flierefluiter zonder bezit, en bovendien een neef van Sidora. Maar moeder heeft een idee. Als het weer volle maan is zal zij met Saro naar de boerderij komen en kan Saro onder het mom van beschermer die nacht bij Sidora zijn.

En zo gebeurt het. Het fragment begon met de aankomst en ontvangst van de moeder en de neef. Sidora en Saro zijn samen binnen, Batà buiten. Op deze kans heeft Sidora gewacht, maar als Saro ’s nachts de geluiden hoort die Batà uitstoot wil hij van de liefde niet meer weten. Hij hoort het lijden van Batà. Hij gaat naar buiten en ziet hoe hij zichzelf verwondt en hij probeert Batà in zijn waanzin te helpen. Sidora komt ook naar buiten. Ze is natuurlijk kwaad omdat het opzetje mislukt is, maar dan ziet ze hoe Saro zich om haar man bekommert. Aan het einde van het fragment houdt Sidora haar man Batà in haar armen.
Saro wijst Sidora, als het ware, de weg naar Batà, zoals de aangekondigde Messiaanse gestalte ons de weg naar de ander wijst. Zo komen wij op het spoor van een liefde die niet zichzelf zoekt, maar die zich onvoorwaardelijk richt op de ander. Die liefde zet de wereld op zijn kop.

Het is niet vanzelfsprekend op dat spoor terecht te komen. Het kost heel wat moeite ons uit onze eigengerichtheid te krijgen. De weerloosheid van de ander in nood heeft daarom iets radicaals. Het doorbreekt ons patroon. Het gelaat van de ander die een appel op je doet komt altijd hoogst ongelegen en je kunt je er ook niet voor afsluiten. Sidora probeerde het nog wel. “Niet luisteren, niet luisteren”, zei ze tegen Saro, maar ze kon het niet meer keren. De weerloze kwetsbaarheid van de lijdende mens heeft een enorme kracht. Ik moet daaraan gehoor geven, of ik wil of niet. Die weerloze kracht is in staat mij even los te weken van mijzelf. Voor een kort moment ben boven mijzelf uitgetild en ben ik in open verbinding met die ander. Mijn ik zit daar even niet tussen. Dat is een bijzondere ervaring. Je kunt zeggen dat in dat moment van die open verbinding, je ook even met God verbonden bent. Waar Liefde en Barmhartigheid zijn, daar is God, zingen wij wel eens. Ik heb wel eens van een diaken uit een andere gemeente gehoord dat hij door zijn inzet voor onder andere asielzoekers zich heel sterk verbonden voelde met God.

Wie eenmaal op dat spoor van God gekomen is, kan toegroeien naar een steeds diepere verbondenheid met God. Je wordt je bewust dat je als mens beeld en gelijkenis bent van God. God heeft ons naar zijn beeld geschapen, en dat scheppen gaat altijd maar door. Telkens opnieuw, met vallen en weer opstaan, mogen wij ons richten op wat heilig is en goed. Dan komt ook onvermijdelijk in beeld wat niet zo heilig is en wat niet zo goed is. Dat stelt je voor de vraag wie je eigenlijk bent. Ben jij de mens die je in beginsel bent bedoeld? Dit zijn vragen die je bestaan flink kunnen ontregelen en ik heb zelf de ervaring dat ik deze vragen het liefst naar de achtergrond druk. Maar via allerlei omwegen komen signalen op ons af die ons weer aan het denken zetten over de vraag naar God in ons leven. Via historische figuren als Augustinus, Fransiscus, Meister Eckhart, maar ook via mensen uit onze eigen tijd, zoals moeder Teresa, abbee Pierre en frère Roger komen die signalen aangewaaid. Wat is hun geheim? Wat hebben zij, dat ik niet heb?

Wat al die beroemde voorbeelden gemeenschappelijk hebben is hun ontdekking van de vrijheid. Meister Eckhart noemt als belangrijkste doel van het leven dat je vrij wordt van het ik en van alle dingen. Het ik houdt ons gevangen. Het is de beste bewaker van onze gevangenis. Het wordt overspoeld door prikkels die begeerten opwekken. Het ik zet die prikkels om in gedrag die de begeerten moeten bevredigen. Die prikkels komen tot ons in zeer grove commerciële uitingen of in heel subtiele culturele gedaanten. Op commerciële zenders en via reclameposters dringt een onversneden pornografische beeldtaal zich aan ons op. Maar ook via een krantenbijlage over kunst en voedsel wordt de begeerte heel effectief gewekt. Wij moeten consumeren. Het is beslist niet wenselijk op dit punt een eigen onafhankelijk geluid te laten horen. Nee, in tegendeel, het ik wordt voortdurend op kunstmatige wijze allerlei behoeften voorgehouden. Daar reageert het ik dan weer feilloos op en heeft het gevoel alles onder controle te hebben. Maar eigenlijk is het andersom. Het systeem houdt ons onder controle. Het sust ons in slaap met de voorgeprogrammeerde feel-good sfeer van een top-2000 of ander december-entertaiment dat er voor zorgt dat we het onszelf niet al te moeilijk maken. Dat is onze ballingschap, dat is onze gevangenschap. Een gouden kooi.

Maar op onverwachte momenten breekt soms een besef door van een gemis. Er roert zich in ons een verlangen dat gemis op te vullen. Een verlangen naar vrijheid. Vrijheid, zo schrijft Johannes van het Kruis, kan niet wonen in een hart dat beheerst wordt door begeerten. Hij beschrijft de uitweg uit de onvrijheid in vreemd klinkende paradoxen:
om te geraken tot het smaken van alles; heb smaak aan niets
om te geraken tot het weten van alles; wil niets weten
om te geraken tot het bezit van alles; wil niets bezitten
om te geraken tot wat je nog niet bent; moet je gaan langs de weg van het niet-zijn.

Met deze woorden geeft Johannes van het Kruis een uitweg uit onze gevangenis. Deze uitweg is een innerlijke weg van bewustwording, van toenemende zelfkennis en steeds meer leven aan het oordeel voorbij. En het is tegelijkertijd een uiterlijke weg van solidariteit met de armen en meest weerlozen, van verzet tegen een systeem dat mensen reduceert tot consument en een verzet tegen een samenleving die de angst tegen de vreemdeling cultiveert. Deze innerlijke en uiterlijke weg zijn voor mij de concrete uitwerking van de naam Immanuël, God met ons. Een naam als teken van hoop. Een lichtend teken in een verstikkende duisternis. Die naam is voor ons een begaanbare weg naar geluk.

Amen

Gebed

Klinkt daar, Vader, in mijn zangen
geen verlangen
naar uw aangezicht?
Min ik meer het effen duister
dan de luister
van uw eeuwig licht?

Meer de onbewogen ruste
dan de luste
van de morgenstond?
Meer het slapende vergeten
dan het weten
van der dingen grond?

Houd tot U mijn lichtschuwe ogen
opgetogen,
Zon, die ongedoofd,
mij de aarde en de hemel beide
zou verblijden
zo ik beter had geloofd.

Is daar in mijn hunkerend wachten
geen gedachte
aan beloofd genot?
Kan mijn peinzen zich niet heffen
tot beseffen
van uw liefde - God?...

(Jacqueline van der Waals)

naar boven