|
Terug naar Overzicht Preken
Preek
zondag
25 december 2007
1-ste Kerstdag
Voorganger ds. H. van den Berg
Gemeente
Er is een mooie Chassidische legende die al vele schrijvers heeft geïnspireerd
tot een verhaal of roman. Ik wil u op deze Kerstmorgen de versie vertellen van
Baukje Offringa.
Lang geleden woonde in de Poolse stad Krakau een arme jood
die Izaak heette. Hij was zo arm dat hij vaak met een lege maag
naar bed ging. Elke dag in zijn huis en tijdens alle diensten in
de synagoge bad hij tot God om hem te helpen. Tevergeefs, God
scheen niet te luisteren. Maar Izaak bleef bidden.
Op een nacht had hij een vreemde droom. Hij hoorde een stem die
zei:
'Ga naar de hoofdstad en zoek daar naar een schat onder de brug
bij het koninklijk paleis.' 'Dat was een mooie droom', mompelde
Izaak toen hij wakker werd, 'maar wat heb ik er aan?' En hij
dacht er verder niet over na. Maar zodra hij 's avonds zijn ogen
dicht deed, kreeg hij dezelfde droom. Hij zag de hoofdstad, het
paleis en de brug en hij hoorde dezelfde stem die zei: 'Ga op
reis Izaak, dáár moet je zoeken!' 'Het zou dwaas zijn om zo'n
lange reis te maken voor een droom', dacht Izaak de volgende
morgen.
In de nacht had hij echter voor de derde keer dezelfde droom en
hij hoorde dezelfde stem zeggen: 'Izaak, waarom ben je nog niet
op weg gegaan?' 'Misschien is het toch waar wat ik gedroomd
heb', dacht Izaak. En hij ging op reis naar de hoofdstad. Zo nu
en dan mocht hij een stuk met iemand meerijden, maar het
grootste deel van de weg moest hij lopen. Hij liep door bossen,
ging over bergen en door diepe dalen en kwam tenslotte bij de
hoofdstad aan. Hij was doodmoe en nog magerder dan hij voor zijn
reis was.
Onderweg had hij moeten bedelen om wat eten.
Tot zijn verrassing herkende hij in de stad het paleis en de
brug die hij in zijn droom had gezien. Toch durfde hij niet bij
de brug te graven naar een schat, want de brug werd bewaakt door
soldaten. Wel liep hij zoekend rond bij de plek die hij in zijn
droom had gezien. Als het donker was geworden wilde hij daar
gaan graven. Een wachtsoldaat op de brug, die hem daar zo rond
zag lopen, vertrouwde hem niet. Hij dacht dat Izaak een spion
was, ging naar hem toe en zei: 'Hé, jood, wat heb je hier te
zoeken? Kom maar eens mee!' Hij greep Izaak ruw bij zijn
schouder en bracht hem bij de kapitein van de wacht.
'Waar kom je vandaan en wat doe je hier?' vroeg de kapitein.
'Ik kom uit Krakau', zei Izaak, 'in een droom heb ik gehoord dat
hier bij de brug een schat ligt.' Intussen stond hij op zijn
benen te trillen van angst, want hij was er zeker van dat de
kapitein hem niet zou geloven en hem in de gevangenis zou laten
zetten.
Maar tot zijn grote verbazing begon de kapitein te lachen tot de
tranen hem over de wangen rolden.
'Arme kerel', zei hij, 'wat jammer dat je je schoenen hebt
versleten voor een droom! Als ik de droom zou geloven die ik heb
gehad, zou ik nu rechtstreeks naar de stad gaan waar jij vandaan
komt. Elke nacht, al wekenlang, hoor ik in mijn droom een stem
die zegt:
'Er wacht een schat op jou in Krakau bij een jood, die Izaak
heet, onder de oven in zijn huis." Maar de helft van de joden
daar heet lzaak. En ze hebben allemaal een oven.
Ik zie me al van huis tot huis gaan en onder alle ovens zoeken
naar een schat die niet bestaat!' Hij lachte weer en zei tegen
zijn soldaten: 'Laat die dwaze jood maar vrij!'
Izaak ging de lange weg terug naar huis. Daar ging hij graven
onder zijn oven en... daar vond hij de schat.
Nu hoefde hij geen honger meer te lijden.
Uit dankbaarheid liet hij een synagoge bouwen en in de
oostelijke muur liet hij beitelen:
'Soms maakt een mens een verre reis op zoek naar geluk om te
ontdekken dat het dichtbij is.'
naar boven
|