Terug naar Overzicht Preken

Preek

zondag 30 december 2007


Voorganger ds. A.E.J. Kaal, em. Rem.predikant
  
Lezingen:

Jesaja 61:10 - 62:3
Lucas 2: 33-40

PREEK

Hanna: ze moet - als je Lucas mag geloven - 105 jaar oud geweest zijn, toen Jozef en Maria met hun pasgeboren kind naar de tempel kwamen. Het verhaal moet wel berusten op een oeroude Jeruzalemse traditie, waarin men zich deze vrouw herinnert als een oude eerbiedwaardige dame, die er bij was toen Jezus in de tempel werd gebracht. Ze behoorde tot de weduwen, waarover de gemeenschap zich had ontfermd. Ze representeerde ongetwijfeld het verleden: zo is dat met eerbiedwaardige oude mensen.

Zij droeg een schat van herinneringen met zich mee. Net zoals grootouders voor hun kleinkinderen ook het verleden kunnen representeren. Oude mensen hebben weet van ooit, lang geleden - en zij vertellen de oeroude verhalen; ze hebben de dingen van vroeger nog in huis. Zij hebben ook alle tijd en liefde om dingen uit te leggen. Zó weten zij de beperkte blik op het hier en nu te verbreden, te verdiepen. "Als het waar is, dat wijsheid met de jaren komt, dan kunnen jonge kinderen maar het beste worden opgevoed door hun grootouders", schreef laatst iemand. Misschien is dat wel zo.

Lucas weet van haar ook nog te vertellen dat zij een dochter was van Phanuël. Die naam betekent: het gelaat van God, en herinnert ons aan de nachtelijke worsteling van Jacob bij de Jabbok: de plaats, die hij Pniël noemde - want, zo zei hij "ik heb oog in oog gestaan met God". Suggereert Lucas dat ook Hanna weet had van Gods gelaat? Werd zij Gods gelaat gewaar in het kind, dat Simeon in zijn armen droeg?

Ze heeft ongetwijfeld hele wijze dingen gezegd, toen ze Jezus zag. Maar wat in het verhaal het meest opvalt is, dat Lucas niet vermeldt wat Hanna heeft gezegd. Ze heeft gesproken over λυτρωσις ('lytroosis'), dat in de nieuwe vertaling wordt weergegeven met 'bevrijding': de bevrijding van Jeruzalem. Ik weet niet of dat nu wel zo'n gelukkige vertaling is.

Het woord is afgeleid van een grieks werkwoord (λυω) dat 'losmaken' betekent. In het OT wordt gesproken over 'lossen', in de zin van loskopen. Bijvoorbeeld; aan de Babylonische ballingschap komt een einde omdat God zijn volk loskoopt. Maar God betaalt voor het loskopen van Israël natuurlijk geen losgeld; Hij lost het volk eenvoudig door zijn eigendom op te eisen: het volk behoort immers aan Hem toe. Zoals in een jubeljaar al het land moet worden teruggegeven aan de EEUWIGE. In strikte zin kan een mens een stuk land niet in eigendom hebben: de aarde van ons allemaal - zo is de gedachtegang. Om Israël daaraan te herinneren werd al het land in een jubeljaar onteigend en opnieuw verdeeld.

Ze zijn ons maar geleend
de vele mooie dingen
die lief, vertrouwd en veilig
ons dagelijks omringen.

Het is ons maar geleend
gezondheid, welvaart, leven;
en wij pakken het aan
als was het ons gegeven....

(fragment: R. Asscher-v.d. Molen.)

Dat besef is verbonden met het woord 'lytroosis'. Maar het woord 'lytroosis' wordt ook gebruikt voor het losmaken van de knellende banden. Bijvoorbeeld: als een mens in zijn leven iets verkeerd heeft gedaan, dan kan zoiets je in beslag nemen. In het OT is herhaaldelijk sprake van rituelen die dit 'bedekken', in de zin waarin wij het ook wel gebruiken: 'zand erover'. Wat wordt toegedekt heeft daarmee afgedaan. 'Gedenk niet de dingen van weleer; want zie ik maak alles nieuw', zegt God bij monde van Jesaja. Zoals men in Zuid Afrika geprobeerd heeft om blank en zwart met elkaar te verzoenen door alles uit te spreken en vervolgens toe te dekken. Ook in dit verband wordt het woord 'lytroosis' gebruikt.

Als Hanna gesproken heeft over 'lytroosis' heeft ze dus mogelijk gesproken over 'afrekenen met het verleden', en over een God die zijn aanspraken doet gelden. Zou zij wellicht hebben gezegd dat Jezus gekomen is om mensen weer terug te geven aan hun rechtmatige eigenaar? Om hen thuis te brengen waar zij horen?

We staan aan het begin van een nieuw jaar. En je zou je kunnen afvragen hoe het zou zijn, wanneer ons werd aangezegd dat het hoog tijd wordt om in ons leven orde op zaken te stellen. Wat zou dat kunnen betekenen?

We leven in een cultuur waarin de woorden 'willen' en 'kunnen' de toon aangeven. Onze toekomst lijkt af te hangen van wat we willen, en waar we zoal toe in staat zijn. Het uitgangspunt is steeds: de mondige mens, die bepaalt hoe de wereld eruit ziet. Maar: is er in zo'n cultuur nog wel plaats voor geloof?

"Geloven in een God die niet bestaat", is de titel van het boek van Klaas Hendrikse dat zo veel reacties oproept. De titel illustreert het spanningsveld, dat bestaat tussen atheïsme en godsgeloof. Het is wel aardig om te weten, dat veel Romeinen niets van de Joden moesten hebben omdat die Joden in hun ogen atheïsten waren. Zij geloofden immers in een God die je niet kon zien, en wiens naam je niet mocht uitspreken. Dat kón toch niet? Zo'n God bestaat dan toch niet?
U moet weten dat het Hebreeuws geen woord heeft voor 'bestaan'; de vraag of God bestaat kan in het Hebreeuws niet worden gesteld. God kun je alleen gewaar worden, ervaren. Vandaar dat de oude Joodse geloofsbelijdenissen louter bestaan uit een opsomming van Gods grote daden. De vraag naar het bestaan van God is een vraag vanuit de filosofie; vanuit een Griekse wijze van denken.

Franz Rosenzweig begon zijn colleges over Godsgeloof met een anekdote, waarin hij vertelt over een gesprekje tussen een Joodse moeder en haar vierjarige dochtertje. Hij hoort het kind zeggen: "Dit mag ik niet doen, dat wil God niet." Waarop de moeder zegt: "Ach, wat heb jij met God; heb je God ooit gezien?" Het kind: "Die kun je niet zien, die is helemaal achter in de hemel; maar die ziet alles". Moeder: "Ach, ik geloof alleen wat ik kan zien". Kind: "En tóch is die er!"

Dit gesprekje illustreert de spanning tussen het intuïtieve weten van het kind, en het rationele atheïsme van de moeder.
De vraag daarbij is of wij nog wel in staat zijn om ons los te maken uit het dwangbuis van de rationaliteit. Of we nog - zoals het kind - in staat zijn om God 'gewaar te worden'. Met opzet gebruik ik het woord 'gewaarworden', omdat in 'gewaarworden' ook waarheid besloten is. Weliswaar betreft het een andere waarheid dan de waarheid van de filosofie en de wetenschap, maar daarom is die (intuïtieve) waarheid nog niet minder werkelijk. Gewaarworden vraagt om stille aandacht, om verwondering, om een openheid voor mysterie. Om de stilte, waarin wij aangesproken kunnen worden en nieuwe betekenissen zich kunnen openen.

Jezus geloofde in een rijk dat niet van deze wereld is. Zijn God is een God die alleen spreekt in de stilte. Of, zoals een kloosterlinge het ooit neerschreef:

Hart van de stilte
ben Jij,
licht in de ogen
van mensen
en dieren,
adem van planten, licht van mijn licht
licht dat mijn schaduw draagt
ook als ik het niet zie

Herkende Hanna in het Christuskind iets van Gods gelaat? En was die gewaarwording voor haar wellicht de aanleiding om te gaan spreken over 'lytroosis': een nieuw begin van Jeruzalem? En een hervinden van een bevrijdende spiritualiteit?

Iemand - misschien was het wel een atheïst, wie zal het zeggen - schreef ooit:

je hoort het stromen
er is een bron
er is een bestemming

het is niet zegbaar
je kunt het niet negeren

er is een spinrag
dat overbrengt - onzichtbaar
misschien hoorbaar - soms

er is een aanwezigheid
die alles doordringt

tekens wisselen
wat heeft het te betekenen?
het kan niet gezegd

het spreekt van heel ver
het is oneindig dringend

niemand ziet de wind
maar ieder ziet de bomen
en hoe ze waaien

en het water weet ervan
nacht en dag weten ervan
het wordt niet gezegd

nooit wordt het gezegd
is dit nu God?

AMEN.

 

naar boven